Indonesische muziek en dans: tussen kunst, nationalisme en ritueel

Voorstellingen: muziek en dans uit Java en Kalimantan. Gehoord: 1 en 9/6 Tropeninstituut Amsterdam. Volgende voorstellingen: muziek en dans van de Batak 18 en 19/6 20.30 uur; Cianjuran kamermuziek uit Soenda 20/6 16 en 20.30 uur Tropeninstituut Amsterdam tel. 020-5688500. Herhaling Java-voorstelling: 23/6 Kon. Conservatorium Den Haag.

Links op het podium het rood-wit van de Indonesische vlag, rechts het bloemrijke vaandel van de Kraton van Surakarta. Symbolischer kon het bijna niet in de openingsvoorstelling van het aan Indonesië gewijde deel van het Holland Festival: dit zijn de krachten waartussen de Javaanse kunst zich beweegt. Aan de gamelan vijftien musici in het officiële tenue van het hof. Onder zachte begeleiding betreden negen danseressen in vol ornaat statig en zelfbewust het podium. Expressieve rijkdom en raffinement kenmerken hun dans, maar tegelijkertijd valt in deze voorstelling een zekere soberheid op: de kostuums zijn vrij van overdaad, de zangstijl is bescheiden. En daarin ligt waarschijnlijk ware kracht van de Kraton.

Een week later in het Amsterdamse Tropeninstituut stond op de plek van die vlag een bescheiden orkestje: twee trommen, een kleine gebarsten gong (hij klonk dan ook nergens naar) en een klein gongspel. Midden op het podium een soort offertafel van bamboepalen versierd met palmblad en kleurige doeken: onmisbare attributen van de rituele kunst van de Dayaks.

Een oudere magere man met een groot amulet, benen armbanden, kleding van dierenhuid en imposante veren, voert een eenvoudige dans uit. Zo nu en dan draait hij met een schrille kreet snel om zijn eigen as. Dansers met ritselende bananeblad-kostuums en groteske houten maskers met klapperende kaken, bezweren stampend en roepend de wereld der geesten. Snelle rappende monologen klinken dwars door de zang van shamanen, een grote witte kip dient tijdelijk als offer. Soms maakt de groep een onbeholpen indruk, soms loopt alles als een trein en mis je de opwinding van het publiek, een blaffende hond, een kraaiende haan en kinderstemmen.

bp Het komende weekeinde wordt het Indonesië-programma vervolgd met voorstellingen uit Sumatra en West Java. Bij de Batakbevolking van Sumatra dienen muziek en dans eveneens meer een ritueel dan een artistiek doel. De dominerende muziekvorm is daar het Gondangorkest: een serie op toonhoogte gestemde trommen die soms puur melodisch gebruikt worden, gongs, serunai (schalmei) en cymbalen. De pogingen van missionarissen om deze muziek uit te bannen (Gondang was een tijdlang verboden, de Bataks leerden kerkmuziek spelen) heeft het orkest met glans doorstaan. De energieke, opzwepende openluchtmuziek kan op geen ceremonie gemist worden. De bijbehorende dansen zijn vrij eenvoudig.

Het West-javaanse Cianjuran-ensemble van de beroemde zangeres Ida Widawati brengt ons terug naar de kunstmuziek. Cianjuran is een intieme, expressieve muziekvorm op poëtische teksten, waarin de verhalende oorsprong nog goed te herkennen is.

Vol nostalgie wordt het eens zo welvarende Sundase koninkrijk Pajajaran (14de tot 16de eeuw) bezongen, de machtige bergen (meditatieplaats bij uitstek) en vóór alles de liefde. De sfeer van de muziek is melancholiek en contemplatief, kenmerkend voor de zangstijl is het heftige vibrato. De melodische lijn wordt ondersteund en omspeeld op de suling (bamboefluit) en op de kacapi indung (een grote citer), die sonore bastonen en virtuoze riedeltjes speelt. In de metrische gedeelten wordt aan het ensemble de kleinere kacapi rincik toegevoegd, die de muziek verrijkt met lichtvoetig tinkelende klanken.

    • Elsje Plantema