Hoog in de bergen ligt nog het oude China

Niet elke plaats in China past in het beeld dat de Volksrepubliek de laatste jaren heeft opgebouwd: een land dat in sneltreinvaart op weg is naar de volgende eeuw. In het afgelegen binnenland, hoog in de bergen, ligt echter een ander China, waar alles nog nagenoeg hetzelfde is als honderd jaar geleden.

ZHAOMIANHECUN, 17 JUNI. Het beeld van China zoals dat nu ruim een jaar in de internationale media vorm heeft gekregen, is dat van een land met een hoge economische groei in herboren zakenmetropolen aan de kust, van high tech-joint ventures met multinationals, schatrijke boerenondernemers en ex-Rode Gardisten die nu koortsachtig beleggingshandboeken bestuderen om hun financiële achterstand in te halen.

In het afgelegen binnenland, hoog in de bergen, ligt echter een ander China, waar alles nog nagenoeg hetzelfde is als honderd jaar geleden. Men komt er alleen met behulp van stedelijke Chinese vrienden, in dit geval: ex-militairen. Ze kennen er intellectuelen die daar tijdens de Culturele Revolutie naar toe werden verbannen.

Alleen zo kan men zonder officiële begeleiding doordringen tot de meest exotische uithoeken van het magnifieke Wushan-rotsgebergte dat de verticale wand van het Yangtze-dal in het westen van de provincie Hubei vormt. Drie uur lang zig-zaggen we vanuit Yichang over een smalle bergweg. Tussen de wit-gele rotswanden met smaragdgroene begroeiing door, die eeuwenlang het thema van klassieke Chinese schilderijen, gedichten en zelfs muziek zijn geweest, want bijna alle klassieke Chinese muziek is een variatie op water en wind in de bergen.

Plotseling moet onze kleine bus op een onverharde weg stoppen, want een reusachtige granietblok verspert de weg. Boeren hebben de rots net met dynamiet gespleten en zijn bezig met de bewerking. “Sorry, het is vandaag zondag. We wisten niet dat er een auto langs zou komen”, zeggen ze in oprechte onschuld. We moeten terug naar het hoofddorp Zhaomianhecun en vandaar de klim van twee uur naar de hooggelegen berggehuchten maken.

In de vergaderhal van het dorpscomité hangt het hele pantheon van communistische heiligen nog: Marx, Engels, Lenin, Stalin en Mao. In de steden zie je dat bijna nergens meer. Een politieagent tikt mij op de schouder en vraagt wat ik hier doe, want buitenlanders mogen hier helemaal niet komen. Onze vriend uit Yichang, Oude Zhang, een geschiedenisleraar, wordt erbij gehaald om een incident te voorkomen. “We zijn toch een open, vrij land tegenwoordig. Zij zijn oude vrienden van China. Ik heb goede contacten in de districtsregering. Maak je geen zorgen.”

Zhang komt oorspronkelijk uit de provincie Jiangsu aan de kust, maar is hier tijdens de Culturele Revolutie terechtgekomen, in het kader van de dwang op stadsintellectuelen zich op het platteland te vestigen. Hij is altijd bevriend gebleven met een dorpsonderwijzer, Chai Fahua, die nu gepensioneerd is en in zijn voorouderlijke boerderij in "sub-gehucht no. 3 van gehucht Chaijiapo (letterlijk: berghelling van de familie Chai)' op de top van de 1.500 meter hoge berg woont.

Vanuit Yichang is een 19-jarige nicht van Chai, Chunhua (Lentebloesem) meegekomen. Zij was het bergleven beu en werkt nu als kokkin in een ziekenhuis in de stad. Ze heeft een hele voorraad etenswaar meegebracht voor haar ouders en oom en tante, wel 50 kilogram, die ze in een schoudermand laadt, waarmee ze vervolgens op hoge hakken en in strakke lange broek de klim naar boven maakt. Zelfs met lichte schoudertassen hijgen wij als renpaarden, terwijl zij langzaam, maar ferm als een gespierde vracht-koelie doorstapt.

Onderweg zijn de authentiekste Chinese model-taferelen te zien: subtropische, theeplantages in terrassen, aardappelveldjes en padies met waterbuffels en boeren tot hun knieën in de modder. Het regent hier veelvuldig, de grond is vruchtbaar genoeg voor drie oogsten per jaar. Dorpelingen volgen ons en vragen ons de oren van het lijf. Als we een vogelverschrikker in een boomgaard passeren vraagt een van hen of die in Nederland ook bestaan. Ik bevestig dat. “Hoor je, het buitenland en China schelen niet zoveel”, zegt de man tegen zijn vrouw.

Chais grote gele lemen huis met zwarte dakpannen is een waarlijk museum van Chinees boerenleven. Tegen zijn huis is een kooi gebouwd, waarin twee enorme zwarte varkens liggen. Boven het voorportaal zit een grote trechtervormige opening in het dak om het regenwater in een klein vijvertje op te vangen, dat zij voor het wassen gebruiken. Uit een berggleuf achter zijn huis vangt hij bergwater op, dat hij met fijn zand zeeft tot het kristalhelder en drinkklaar is.

Het huis heeft twee verdiepingen met houten vloeren en gestrooid zand. Boven staat een grote dennehouten kist met gerookt varkensvlees. Lappen gepekeld spek hangen aan het plafond. Het zout komt uit een bron van pekelwater. Verder heeft hij een houten rijstdorsmachine en een graanmolen, waarmee hij deeg voor noedels maakt. Koken doen zij op een stenen oven met sprokkelhout.

Hij heeft elektrisch licht, maar dat is hooguit 25 watt sterk. Het is niet sterk genoeg om te kunnen lezen, maar het bespaart ze het ongemak en de vervuiling van olielampen. Chai leest overdag buiten en zijn vrouw is analfabeet. Ze hebben geen televisie, maar zijn zoon, die honderd meter verderop woont, heeft een zwart-wit toestel. Meestal is de elektriciteit niet sterk genoeg voor een goede, ononderbroken ontvangst. We krijgen een lunch van acht gerechten opgediend: gerookt varkensvlees, reepjes vet spek, kikvors, sojakaas, kip, berggras en andere vegetarische produkten. Hij schenkt er eigen gestookte sterke drank bij, met een gehalte van 60 procent alcohol, wat aan te bevelen is om eventuele bacteriën te doden.

Tijdens het eten filosoferen we over de turbulente lotgevallen van het Chinese volk. Wat vindt Chai ervan dat Mao en zijn mede-profeten nog in de dorpshal hangen. “Mao was een groot man.” Hij herhaalt: “Een groot, ontzagwekkend man. Maar zijn heerschappij was te hardvochtig, het leven was te bitter. Hij heeft weinig voor ons boeren gedaan, maar hij was toch groot, ondanks alles. Onder Deng Xiaoping is alles beter. We hebben beter te eten. Als we onder Mao een varken slachtten moesten we de helft aan de staat geven. Nu niet meer.”

Over de in 1989 afgezette partijleider en ex-premier Zhao Ziyang spreekt hij met diepe genegenheid: “Die man heeft het meest voor ons boeren gedaan.” Hij vervolgt dat ze onder Mao geen landrechten hadden, geen huisvee mochten houden, niet eens kippen, want als ze die verhandelden was dat kapitalisme. Ze mochten niet vissen in de Yangtze en niet naar de stad gaan, niet eens om inkopen te doen, laat staan om er te gaan wonen.

“Kijk naar mijn nicht, die woont nu in de stad. Ze kookt eten in een ziekenhuis en haar zus is kindermeisje bij een leider.” Hij maakt zich wel zorgen dat als de jeugd naar de stad trekt, zijn levensstijl uitsterft en het land straks niet meer verbouwd wordt. Voorlopig is Chai nog wel gerust, want zijn zoon, die vlakbij woont, blijft trouw aan de principes van "bloed en bodem'. De zoon heeft al twee ronde, sandelhouten doodskisten voor zijn ouders klaarstaan in zijn huis dat van baksteen is.

Als we na het eten buiten nakaarten, constateren we dat die principes van "bloed en bodem' te lang in de engste zin zijn toegepast in dit gehucht van 30 gezinnen. Onder de toehoorders staat een moedertje met twee misvormde kinderen, het zoontje heeft een punthoofd en misvormde oren, een geval van inteelt. Ze weet niet eens precies wat de graad van bloedverwantschap met haar man is, want iedereen is generaties lang onder elkaar getrouwd.

Het Chinese binnenlandse persbureau berichtte onlangs dat 88 procent van de analfabeten op het platteland in strijd met de geboortebeperkingsregels ten minste twee kinderen heeft. Vandaar dat experts opnieuw oproepen om dit rigoureus een halt toe te roepen en in plaats daarvan ter verbetering van de kwaliteit van de bevolking stedelijke intellectuelen toe te staan een tweede kind te hebben. Chai filosofeert over het stadsleven. “In de stad heb je een hoop geld nodig. Mijn jaarinkomen is 260 yuan (90 gulden).” Beschouwt hij zichzelf als arm? Hij zegt dat hij boven de absolute armoedegrens van 200 yuan zit.

Tien procent van de Chinese bevolking, ofwel 112 miljoen mensen zit daar nog ver onder. Het district Yichang is net niet arm genoeg voor bijstand van de centrale regering, maar het krijgt wel provinciale steun. Ongeveer een kwart van de bevolking van het hele land zit op het inkomensniveau van Chai, maar het is ondoenlijk om in geld om te rekenen wat hij en zijn gezin voor eigen consumptie verbouwen.

Het is deze overweging en het verschil tussen de binnenlandse koopkracht van de yuan en de wisselkoers in Amerikaanse dollars, die het IMF er onlangs toe bracht het nationale inkomen per hoofd van de bevolking veel hoger te ramen dan de 300 dollar waarop het in internationale statistieken genoteerd staat en daardoor China als de derde grootste economie ter wereld te rangschikken. De centrale provincie Hubei staat ongeveer halverwege de Chinese ontwikkelingsladder.

Boeren in de kustprovincies en ook in de omgeving van grote landinwaartse steden hebben het veel beter wegens de bloeiende plattelandsindustrieën, maar in de droge, koude noordelijke en vooral noordwestelijke provincies en zelfs in de wilde provincies van het zuid-westen gaat het beduidend minder goed. Daar heerst algemene verpaupering en zelfs toenemende onrust onder de boeren over het uitblijven van regeringsbetalingen voor af te stane gewassen en over willekeurige praktijken bij het innen van belastingen.

Topleiders, inclusief Deng Xiaoping zelf, zijn diep bezorgd dat er een grote explosie van boeren-ontevredenheid komt als er niet snel en zeer drastisch wordt ingegrepen. De excessieve concentratie op industrie en handel in China resulteerde er vorig jaar in dat tegenover een groei van 19 procent voor deze sector slechts 3 procent voor de landbouw stond. Dat doet twijfel rijzen aan de stabiliteit en continuteit van China's hoge groei. Dat China uiteindelijk een economische supermacht zal worden is onvermijdelijk, maar de diepe kloof tussen de kust en het verafgelegen platteland, tussen industrie en landbouw zal naar alle waarschijnlijkheid wel teweeg brengen dat het tien, twintig jaar langer zal duren dan alle profeten nu voorspellen. Dit is het vijfde verhaal uit een serie over het Yangtze-dal.