Grutto moet blijven, maar hoe?; Ook cultuurvolgers zijn het beschermen waard; Waar landbouw is, kan de natuur niet zijn

Volgend jaar krijgt de grutto de doodklap. Afgelopen jaren gingen veel jongen al verloren doordat de boeren steeds vroeger gingen maaien.

In 1994 komt daar de verplichte mestinjectie bij, uitgevoerd door grote machines die vroeg in het jaar het land opgaan - net als de grutto begint te broeden.

De weidevogels zullen hiermee grotendeels uit Nederland verdwijnen.

Wat nu te doen? Eric Wanders pleit voor versoepeling van de regelingen voor mestinjectie en voor het opnemen van de grutto als indicatorsoort voor de weidevogelgemeenschap.

Dat is precies de verkeerde weg, zegt Frans Vera. Het is zinloos om een cultuurartefact als de weidevogelgemeenschap kunstmatig in stand te houden. Nederland behoort de huidige intensieve landbouw op den duur om te vormen tot duurzame landbouw. De grutto zal zich in dit landbouwgebied zeker kunnen handhaven.

De koereiger is net een eeuw broedvogel in Zuid-Amerika. Daarvoor kwam hij alleen in de Oude Wereld voor, waaronder Afrika. Daar zoekt hij in graslanden het gezelschap op van grote grazers als de zebra en de kafferbuffel. Hij heeft het gemunt op grote insekten die door deze beesten al grazend uit het gras worden opgejaagd.

De eerste keer dat koereigers in Zuid-Amerika werden waargenomen, was tussen 1877 en 1882, langs de Corantijnrivier in de Nederlandse kolonie Suriname. Als de koereiger toen de oversteek naar het Amerikaanse continent heeft kunnen maken, dan zal hij dat ook in de eeuwen daarvoor hebben kunnen doen. Waarschijnlijk heeft hij zich nooit kunnen handhaven, omdat de grote grazers waarmee hij moest samenleven, van nature in Zuid-Amerika ontbreken.

Pas nadat Nederlanders in de tweede helft van de vorige eeuw in Suriname oerwoud kapten, omzetten in weilanden en rundveehouderij introduceerden, kwam de koereiger er tot broeden. Sinds 1971 broedt hij in het Amazonegebied. Hij vestigt zich op plaatsen waar de natuur (het tropische regenwoud) plaats heeft gemaakt voor de veehouderij. Het aantal koereigers neemt daar toe door de steeds verder uitdijende ontginning, ten koste van allerlei van nature aanwezige plante- en diersoorten.

Wat nu in Brazilië gebeurt, vond eeuwen geleden plaats in Nederland toen daar de venen en de overstromingsvlakten van rivieren ten behoeve van de landbouw werden ontgonnen. Met de toename van het aantal koeien nam in deze ontgonnen gebieden het aantal grutto's toe.

Tegenwoordig herbergt Nederland 90% van alle op het Europese vasteland broedende paren grutto's. Ons land zou daarmee een internationale verplichting hebben ten aanzien van het behoud van deze vogelsoort.

Het handhaven van de grutto's in onze weilanden is zelfs een prioriteit geworden in het natuurbeleid. Boeren worden in het kader van de Relatienota betaald om ervoor te zorgen dat de grutto zich kan handhaven.

Als de ontginningen van het regenwoud in de Amazone in het huidige tempo doorgaan zal het aantal koereigers sterk toenemen, zodat wellicht binnenkort 90% van alle in Zuid-Amerika broedende koereigers zich binnen de grenzen van Brazilië bevindt. Krijgt dat land dan de internationale verplichting het aantal koereigers op dat niveau te handhaven, zoals die op Nederland rust ten aanzien van de grutto? Sterker nog, gaan wij in mondiaal verband bepleiten dat de boeren in het gekapte regenwoud moeten blijven en betaald moeten worden via beheersovereenkomsten om te voorkomen dat de natuur, het tropische regenwoud, zich weer meester maakt van het grasland met de koereiger, hetgeen slecht zou zijn voor de koereiger en dus voor de natuur?

Dat zou een absurd voorstel zijn. Nederland doet dat dan ook niet. Het Nederlandse Natuurbeleidsplan bepleit voor Brazilië juist het tegendeel, namelijk dat het tropische regenwoud zoveel mogelijk intact moet blijven.

Cultuurartefacten

Maar als het absurd is om in de tropen boeren te beschouwen als noodzakelijk voor het behoud van de natuur, waarom zijn boeren dan wel noodzakelijk voor de natuur in Nederland?

Daar is een heel eenvoudige verklaring voor. In Nederland hebben, net als de koereiger in Zuid-Amerika, enkele wilde soorten planten en dieren geprofiteerd van het ontginnen van de natuur. Omdat in het hele land de natuur door ontginning is omgevormd tot cultuurland, zijn de wilde soorten die zich spontaan in het cultuurland vestigen en handhaven voor veel mensen het enige dat nog verwijst naar wat niet door de mens is gemanipuleerd - de natuur. Deze soorten worden daarom simpelweg tot natuur of natuurwaarde gebombardeerd. In feite zijn het, net als de koereiger in Zuid-Amerika, cultuurartefacten. Een dergelijke vervreemding van de natuur kan optreden, omdat het objectieve referentiekader, de echte natuur, in Nederland ontbreekt.

Allerlei situaties die door de landbouw in het buitengebied zijn ontstaan worden als een of ander type natuur opgevoerd, als er maar wilde plante- en diersoorten in voorkomen. Die soorten worden vervolgens tot een norm voor het natuurbeleid verheven. De actie "Gul voor de grutto' van natuurmonumenten is hiervan een sprekend voorbeeld. De grutto geldt als het symbool van de natuur in het veenweidegebied dat feitelijk ontgonnen veen is. Natuurmonumenten wil met deze actie geld inzamelen om in een van haar natuurgebieden een boerderij met een veestapel aan te schaffen om weiland in stand te houden dat optimaal is voor weidevogels, in het bijzonder de grutto.

Aan de ontginning van zijn natuur dankt Nederland nu boerenatuur, cultuurnatuur, stadse natuur, alledaagse natuur en funktionele natuur. Dit heeft in het natuurbeleid geleid tot de rechtvaardiging van iedere status quo in het landbouwareaal. Alles is goed, omdat het is zoals het is. Deze redenering staat bekend als de naturalistische drogreden.

Het gevolg van deze drogreden is dat het beleid nu legitimeert wat het juist geacht wordt te voorkomen, namelijk het gestaag verdwijnen van wilde plant- en diersoorten, als gevolg van het in cultuur brengen van de natuur. De vraag rijst wat landbouw dan eigenlijk is in relatie tot de natuur.

De uitvinding van de landbouw bestond uit het selecteren van enkele soorten planten en dieren uit de natuur om ze te domesticeren om in de behoefte van voedsel te voorzien. Het oerrund werd "veredeld" tot huisrund, dat als leverancier van vlees, melk, huiden en als trekdier fungeerde. Het wilde zwijn werd vleesfabriek en uit de sleedoorn werd de pruim gekweekt.

De gedomesticeerde soorten werden opzettelijk bevoordeeld in vergelijking met die in de natuur. Daaronder bevonden zich ook hun wilde soortgenoten. Het ligt dan ook voor de hand dat de wilde vormen van nogal wat gedomesticeerde soorten zijn uitgeroeid. Het huisdier en de huisplant maken immers aanspraak op hetzelfde leefgebied als de wilde soortgenoten, waarvan ze zijn afgeleid. De wilde vorm van onze huisrunderen, het oerrund, is daarom door de mens uitgeroeid. In 1627 stierf in Polen het laatste exemplaar. Andere wilde vormen, zoals de wilde Yak en de wilde kameel, balanceren op de rand van uitsterven.

Legitiem

Is landbouw daarom slecht voor de natuur? Dat is geen goede vraag. Landbouw is iets anders dan natuur. Het is per definitie ingrijpen in de natuur en dat is legitiem, omdat het doel, het produceren van voedsel, legitiem is. De omstandigheden die de boer creëert, zijn daardoor niet representatief voor de omstandigheden in de natuur. De wilde plante- en diersoorten die zich in dat agrarische areaal kunnen ophouden zijn dus ook niet representatief voor de natuur.

Landbouw, waar dan ook en in welke vorm dan ook, betekent altijd dat ter plaatse een afname optreedt van de van nature aanwezige biodiversiteit. Daarmee is de kern van het probleem van de relatie van landbouw en natuur bloot gelegd. Waar het ene is kan het andere niet zijn.

Scheiding van functies

Enige jaren geleden is door de Verenigde Naties de Commissie Brundtland ingesteld. De aanleiding was de degradatie van het milieu en uitputting van de natuurlijke hulpbronnen. Zij kwam met het concept "duurzame ontwikkeling". Duurzame ontwikkeling houdt in dat de natuurlijke systemen, die het leven op aarde mogelijk maken, niet in gevaar mogen komen en wilde plant- en diersoorten behouden moeten worden.

Is het voor het behoud van de natuur voldoende om de landbouw duurzaam te maken? Het antwoord daarop is nee. Ook in een duurzame landbouw zal de boer van enkele voor de produktie geselecteerde soorten planten en dieren zoveel mogelijk exemplaren proberen te krijgen. Als duurzame landbouw en het instand houden van natuurlijke ecosytemen gelijktijdig moeten plaatsvinden, dan kan dat alleen door natuurgebieden vrij te houden van landbouw.

In de tropen wordt dat principe uitgewerkt door, naast gebieden die voor de landbouw ontwikkeld zijn of nog zullen worden, natuurlijke ecosystemen intact instand te houden ("set aside'). In Nederland is het Wereldnatuurfonds de enige die hier duidelijk naar streeft. Het is ook de enige op wereldschaal operende natuurbeschermingsorganisatie in Nederland.

Set aside betekent niet dat mensen helemaal van deze gebieden worden buitengesloten. Er vinden vormen van gebruik plaats die de integriteit van het ecosyteem niet aantasten, dat wil zeggen dat het gebruik niet leidt tot echte veranderingen in het ecosysteem, bijvoorbeeld in de vorm van het afnemen van de aantallen, of het verdwijnen van plante- en diersoorten. Voorbeelden daarvan zijn de leefwijze van bepaalde indianenstammen in de Amazone, de Pygmeeën in de regenwouden van Afrika. Andere denkbare vormen van gebruik zijn het tappen van rubber van wilde rubberbomen, het verzamelen van noten, vruchten en medicinale planten, en ook natuurgericht toerisme.

Voor Nederland houdt een duurzame ontwikkeling in dat over een zekere oppervlakte van het land de van nature aanwezige ecosystemen duurzaam kunnen voortbestaan. Dat levert een probleem op. De ontginning van de natuur heeft namelijk het hele land bestreken. Natuurlijke ecosystemen bestaan hier niet meer. Gemeten naar de criteria van de commissie Brundtland is Nederland een van die niet-duurzaam ontwikkelde, over-geëxploiteerde landen, waar de schade achteraf verholpen moet worden door het herstellen van de gedegradeerde natuurlijke ecosystemen. Herstel betekent dat de natuurlijke processen weer op gang moeten worden gebracht.

Het op gang brengen van deze processen moet gebeuren met behulp van natuurontwikkeling. Dit vereist dat in een deel van Nederland de mechanismen worden uitgeschakeld die hebben gezorgd voor het verdwijnen van de natuur. Dat zijn vooral de land- en de bosbouw. Scheiding van deze functies en de functie natuur is dus een van de voorwaarden die nodig zijn voor een duurzame ontwikkeling van ons land. Een andere voorwaarde is het overschakelen op duurzame landbouw.

Overstromingsvlakten

Voor het natuurbeleid houdt een duurzame ontwikkeling in dat de prioriteit van het beleid hoort te liggen bij het zich laten ontwikkelen van zo natuurlijk mogelijke ecosystemen. Dit betekent voor de grutto dat hij weer zijn natuurlijke plek kan innemen: de overstromingsvlakten van de grote rivieren waar hij zal leven in gezelschap van bosruiter, zwarte ooievaar, zeearend, klein waterhoen en het edelhert.

De Nederlandse Regering heeft zich binnen de internationale gemeenschap verplicht tot het zich laten ontwikkelen en duurzaam instand houden van zo natuurlijk mogelijke ecosystemen door in Rio de Janeiro het biodiversiteitsverdrag te ondertekenen. In dat verdrag staat dat de bescherming van soorten op de allereerste plaats door de bescherming van "in situ' condities dient te gebeuren. Het beschermen van soorten in het cultuurland wordt als de zogenaamde "ex situ' bescherming aangeduid. Volgens dit verdrag is die vorm van bescherming een aanvulling op de "in situ' bescherming, met andere woorden de "ex situ' bescherming komt op de tweede plaats.

Maar wat doet de Nederlandse Regering? In het Struktuurschema De Groene Ruimte (1992) worden landbouw en natuur niet als gelijkwaardige functies beschouwd. De landbouw krijgt eerst wat zij nodig heeft, niet vanuit de integratie met natuur binnen het concept van een duurzame ontwikkeling, maar vanuit een eng sectorale optiek, namelijk het zoveel mogelijk behouden van het produktievolume.

In Nederland hebben in het algemeen de gronden die niet of niet meer geschikt zijn voor een rendabele landbouw, de bestemming natuur gekregen. In het Struktuurschema De Groene Ruimte wordt in deze beperkte ruimte wordt echter de land- en bosbouw opgevoerd als noodzakelijke voorwaarden voor het behoud van de natuur. Met andere woorden, de "ex-situ' bescherming, namelijk het cultuurland krijgt prioriteit, vaak tegen enorme bedragen. De Veluwe, tot voor kort het grootste natuurgebied in Nederland, heet in het structuurschema ineens "een waardevol cultuurlanschap'. Uit dit gegoochel met termen blijkt dat zowel het rijk als sommige natuurbeschemingsorgisties het spoor bijster zijn.

Betere voorstellen werden gedaan door de Werkgroep de Zeeuw/Albrecht. Die vond dat, naast het invoeren van schone landbouw, in tien jaar tijds 200.000 ha van het landbouwareaal als grote aaneengesloten natuurgebieden voor natuurlijke ecosystemen moet worden bestemd. Het Wereldnatuurfonds, De Stichting Natuur en Milieu, De Unie van Landschappen, Vogelbescherming Nederland, Natuurmonumenten en de ANWB hebben dit voorstel overgenomen als uitgangspunt voor hun beleid. Rond het jaar 2000 kan dan tien procent van ons landareaal geschikt zijn voor de "in-situ' bescherming. Tien procent is het deel dat door de IUCNop mondiaal niveau als een minimale norm is aanvaard.

Het betekent echter geenszins dat de mens van dit areaal buitengesloten wordt. Hij wordt er uitgesloten als landbouwer en bosbouwer, maar mag er als natuurgerichte recreant wel degelijk vertoeven.

Van een niet-duurzaam ontwikkeld, maar rijk land als Nederland is tien procent zeker niet teveel gevraagd. Bovendien blijft 90% van het landareaal ontgonnen natuur, voor het overgrote deel ten behoeve van de landbouw - die dan wel duurzaam moet zijn. In dit areaal kunnen allerlei vormen van menselijke manipulatie van de natuur, dat wil zeggen allerlei soorten cultuurland aanwezig zijn. Binnen die duurzame landbouw zullen naast de gedomesticeerde soorten zeker ook wilde planten en dieren leven, namelijk de soorten die van oudsher van de landbouw hebben geprofiteerd, zoals de ganzen en de weidevogels, waaronder de grutto.