Grutto moet blijven, maar hoe?; Ook cultuurvolgers zijn het beschermen waard; Waar landbouw is, kan de natuur niet zijn

Volgend jaar krijgt de grutto de doodklap. Afgelopen jaren gingen veel jongen al verloren doordat de boeren steeds vroeger gingen maaien.

In 1994 komt daar de verplichte mestinjectie bij, uitgevoerd door grote machines die vroeg in het jaar het land opgaan - net als de grutto begint te broeden.

De weidevogels zullen hiermee grotendeels uit Nederland verdwijnen.

Wat nu te doen? Eric Wanders pleit voor versoepeling van de regelingen voor mestinjectie en voor het opnemen van de grutto als indicatorsoort voor de weidevogelgemeenschap.

Dat is precies de verkeerde weg, zegt Frans Vera. Het is zinloos om een cultuurartefact als de weidevogelgemeenschap kunstmatig in stand te houden. Nederland behoort de huidige intensieve landbouw op den duur om te vormen tot duurzame landbouw. De grutto zal zich in dit landbouwgebied zeker kunnen handhaven.

Onze weidevogels zitten in de problemen. Hoe komt dat? De belangrijkste oorzaak is dat de weidevogels in ons land bijna geheel afhankelijk zijn van cultuurland. Weidevogels zoals wij ze kennen, zijn in ons land nagenoeg geheel gebonden aan wei- en hooilanden en dus aan de veehouderij.

Dat is op zich bijzonder. Want al lang voordat er weilanden waren, waren er kieviten, grutto's, tureluurs, kemphanen en watersnippen. Duizenden jaren hebben deze weidevogels zichzelf kunnen redden. Toen leefden deze vogelsoorten vast ook al in Nederland, misschien niet in grote aantallen en ook niet steeds in elkaars gezelschap.

Elke soort heeft zijn eigen natuurlijke voorkeursbiotoop. Die biotopen zijn in ons land bijna geheel verdwenen. Daardoor weten we nauwelijks meer waar de soorten die nu in weilanden broeden van nature thuishoren. Alleen degene die de moeite neemt om buiten het cultuurlandschap en dus ver van gebaande wegen in Europa rond te trekken, ziet "onze' weidevogelsoorten in hun eigenlijke wereld. De grutto in veengraslanden, meestal in rivierdalen; de tureluur dikwijls op kwelders en in riverdelta's; de watersnip in beekdalen en de venen. De kievit is misschien meer steppe- en moerasvogel dan weidevogel.

Pas de laatste eeuwen zijn de weidevogels zich gaan vestigen op onze kunstmatige graslanden. Daardoor nam in Nederland vermoedelijk het aantal individuen toe en ontstond een soortensamenstelling die we nu kennen als de weidevogelgemeenschap. Het aantal nam nog sterker toe toen de graslanden meer bemest werden en er daardoor meer voedsel te vinden was voor de weidevogels.

De huidige weidevogelgemeenschap is daarom een cultuurbepaald gegeven, net als een rij knotwilgen en een kolonie gierzwaluwen onder ons dak. Daar is niets op tegen. Het betekent ook niet dat we ons minder in zouden moeten zetten om weidevogels te behouden.

Jaren vijftig

De bloeitijd van de weidevogelgemeenschap viel ergens in de jaren vijftig. Vanaf die tijd ging het bergafwaarts met de weidevogels. De soorten die we nu de "kritische soorten' noemen, namen het eerste af in aantal en komen nu eigenlijk alleen nog voor in reservaten, zoals de kemphaan, watersnip en slobeend. Later volgden de minder kritische soorten. De huidige situatie is dat we de grutto, de tureluur en zelfs de kievit de laatste jaren langzaam maar zeker in aantal zien afnemen.

De oorzaak van die afname is de intensivering van de veeteelt. Vee kan in hoge dichtheden steeds vroeger het land op. Boeren gaan steeds vroeger maaien met steeds grotere machines die steeds harder kunnen rijden. Zo hard dat de goedwillende vogelbeschermer die in zijn vrije tijd probeert te redden wat er te redden valt, tijd te kort komt.

Maar volgend jaar wordt een complete ramp. In 1994 komen de mest-onderwerk-machines de mest milieuvriendelijk onder de groene zoden brengen. Maar wat goed is voor het milieu (ammoniak-beperking), is in dit geval slecht voor de natuur: bij het onderwerken van de mest sparen ze geen enkel weidevogelnest.

Gelukkig wordt te elfder ure getracht mestregelgeving en weidevogelbelangen op elkaar af te stemmen. Als dat echter niet op tijd lukt, moet naar onze mening voor de veenweidegebieden de mestregelgeving worden aangepast aan de weidevogels. Het kan niet zo zijn dat door een uit de hand gelopen landbouwbeleid de grutto zo klem komt te zitten dat voor het behoud van de soort het ergste moet worden gevreesd.

Relatienota

Er bestaan financiële regelingen, vastgelegd in de Relatie-nota, die tot doel hebben door aangepaste bedrijfsvoering vogels ontzien. Gezien de financiële problemen van de overheid is er weinig fantasie voor nodig om in te zien dat deze regelingen niet erg duurzaam zijn.

Voor reservaten in beheer bij de overheid begint al zichtbaar te worden dat het behoud van weidevogels te duur wordt gevonden. Er is een prachtige folder gemaakt waarin wordt uitgelegd dat het Rijksweidevogelsreservaat "Het Guisveld' bij Zaandam beter een moeras kan worden. De goede verstaander leest tussen de regels door dat het huidige weidevogelbeheer voor Staatsbosbeheer wel erg duur is geworden en het schaarse geld beter ergens anders kan worden besteed. Bij ongewijzigd beleid zal zo het ene na het andere weidevogelreservaat van het Staatsbosbeheer moeten worden opgegeven bij gebrek aan geld om het volgens afspraak goed te beheren.

Wat moet er dan wel gebeuren? Vogelbescherming wil het volgende. Alle voor het weidelandschap en voor de natuurlijke landschappen van Nederland karakteristieke weidevogelsoorten moeten in ons land behouden blijven. Nederland moet onvoorwaardelijk aan zijn internationale verplichting voldoen. Zeker voor de grutto, waarvan meer dan 80 % van de wereldpopulatie in ons land broedt, en de scholekster moeten we garant staan.

Net zoals we de knotwilg en een dorpsgezicht willen behouden moeten we ook de cultuurgebonden weidevogelgemeenschap voor ons land behouden en wel zodanig dat dat voor gewone burgers en buitenlui te zien en te beleven is.

Reservaten

Het behoud van weidevogels is het beste te verzekeren in reservaten. Een voorbeeld daarvan vormen de weidevogelreservaten in beheer bij de Vereniging Natuurmonumenten. Natuurmonumenten durft te investeren in natuur. Bedrijfseconomische studies, eigen ervaringen en ondernemersgeest vormen de basis voor de ingeslagen weg waarbij eigen bedrijven zo worden beheerd dat voor weidevogels ruimte komt.

Maar alleen reservaten zijn niet voldoende. Het is ondenkbaar dat het oppervlak daarvan zo groot zou worden dat alle weidevogels die nu nog op weidegronden broeden, in de toekomst in specifieke weidevogelreservaten terecht kunnen. Ook andere natuurterreinen moeten in de toekomst een rol spelen bij het behoud van weidevogels in ons land. Nu al broeden veel tureluurs op kwelders, schorren en andere buitendijkse gronden. Dat kan bij herstel van het kwelderareaal nog meer toenemen.

Ook natuurontwikkeling kan zijn steentje bijdragen. Niet door bestaande rijke weidevogelgebieden te "ontwikkelen' tot bijvoorbeeld moeras. Wel als overbodige landbouwgronden - en die zijn er steeds meer - weer worden hersteld tot echte natuurgebieden. Het herstel van laagland-beken met overstromingsvlaktes brengt een oorspronkelijk biotoop voor de watersnip terug. Ook nu al broeden in de Oostvaardersplassen niet alleen moerasvogels maar ook aanzienlijke aantallen grutto's. Bij elke natuurlijke rivier, dus niet een waterloop in een betonnen keurslijf, maar met echte oevers, horen natuurlijk graslanden waar weidevogelsoorten thuishoren.

Indicatorsoort

Maar reservaten en natuurontwikkeling zijn niet voldoende. Hoe de ontwikkelingen in de veehouderij ook mogen lopen, er moet een bestaansbasis blijven voor populaties van weidevogelsoorten. In ambtelijke termen: er zal een basisnatuurkwaliteit moeten komen, waarin ook weidevogels worden opgenomen. Die basisnatuurkwaliteit is te meten aan een aantal indicatorsoorten.

De grutto kan zo'n indicatorsoort zijn. Er is veel van grutto's bekend en ze zijn makkelijk te tellen. Daarnaast stelt de grutto een aantal eisen aan gebruiksintensiteit, waterhuishouding en afwisseling in het landschap waar ook andere soorten hun voordeel mee kunnen doen.

Voor de boer heeft de keuze van een indicatorsoort gevolgen. De boer zal rekening moeten houden met deze vogel.

Omdat veehouders meestal niet onverschillig staan tegenover weidevogels is er een basis voor samenwerking tussen vogelbeschermers en veehouders. Een serieuze discussie over de basisnatuurkwaliteit is nodig. Niet alleen voor de weidevogels. Ook omdat we ons overvolle land leefbaar willen houden. Waar kunnen we nog buiten de steden natuur beleven? Natuurlijk in de schaarse natuurgebieden, maar natuurbeleving moet ook vlak bij huis mogelijk blijven.

Het is beschamend dat de rijksoverheid zich aan het natuurbeleid buiten de Ecologische Hoofdstructuur niets gelegen wil laten liggen. Net alsof buiten de reservaten alles ondergeschikt mag worden gemaakt aan de economie en geen natuurwaarden meer bestaan.

    • Eric Wanders