Grotschilderingen waren deel van audio-visueel spektakel

Prehistorische rots- en grottekeningen zijn niet zomaar mooie plaatjes. Ze staan voor een complete audiovisuele ervaring. Dat schrijft Steven J. Waller in een ingezonden brief in Nature.

De auteur merkt op dat verreweg de meeste schilderingen van hoefdieren als paarden, bisons en mammoeten te vinden zijn in grotten met een sterke echogalm. Het genieten van deze schilderkunst zou begeleid moeten worden door drums en ander slagwerk, alsof je de snelle hoeven kon horen roffelen. Het leeuwedeel van de muurschilderingen van sluipende tijgers en aanverwante katachtigen daarentegen is juist te vinden in gangen waar iedere voetstap akoestisch wordt gedempt. Dit geldt zowel voor de grotten van Font-de-Gaume als die van Lascaux.

In het Boven-Palaeolithicum bezitten zowel de kunstlokaties in de open lucht als in de grotten een meer dan gemiddelde resonantie. Bij l'Oreille d'Enver bijvoorbeeld werden echo's gemeten van 53 decibel tegen een achtergrond van 45 decibel, hetgeen significant hoger is.

De vorm van de grot heeft een belangrijk effect op de akoestiek en bepaalt het karakter van de muurschilderingen. De statistieken wijzen uit, dat 90 procent van de afgebeelde onderwerpen in de Europese Palaeolitische kunst tot de hoefdieren behoort.

In sommige antieke culturen werden echo's beschouwd als een bovennatuurlijk verschijnsel. Experimenten met de geluidsreflecties rond rotskunst wijzen uit, dat slagwerkgeluiden (zoals klappen of met stenen werktuigen slaan) echo's kunnen opleveren die klinken als de galop van een paard, terwijl het weergalmen van bekkens in de grot doet denken aan een stampende kudde bisons. Wellicht maakten deze schilderingen deel uit van magische riten om het wild op te roepen voor de jagers. (Nature, 10 juni 1993)