Generalist op Sociale Zaken

Waar ging het mis? Een vraag waar de parlementaire enquêtecommissie die de uitvoering van de sociale zekerheid onderzoekt zich, nu de openbare verhoren achter de rug zijn, de komende maanden verder over mag buigen.

Trouwens niet alleen het selecte gezelschap Kamerleden dat deel uitmaakt van de commissie Buurmeijer zit met dit vraagstuk, maar alle politieke partijen die momenteel bezig zijn met het opstellen van hun verkiezingsprogramma. Het moet anders, maar hoe anders? Plannen zijn er volop, maar zijn ze ook houdbaar? De sociale zekerheid begint trekken van een wasmiddel te krijgen: altijd vernieuwd, maar altijd kan het nog nieuwer. Rust aan het front werd er beloofd toen in 1986 de alles oplossende stelselherziening een feit was. Sindsdien is het nog nooit zo onrustig geweest.

Het Nederlandse stelsel van sociale zekerheid; een boeiend onderwerp voor discussie. Maar wee degene die daadwerkelijk wijzigingen wil aanbrengen. Deze komt terecht in het zompig moeras van onveranderlijke regelingen dan wel strikt noodzakelijke uitzonderingsbepalingen. De wereld waarin voor elke oplossing ten minste tien problemen worden bedacht. En natuurlijk ook de wereld waarin de politiek weliswaar denkt het voor het zeggen te hebben, maar waar in werkelijkheid de dienst wordt uitgemaakt door het georganiseerde werkgevers- en werknemersbelang.

Wat dat betreft heeft de enquête haar nut al bewezen. Pijnlijk duidelijk bleek uit de diverse verhoren dat als het erop aankwam de politiek niets te vertellen had. Altijd weer waren er de "sociale partners' die toch vooral niet gebruskeerd mochten worden. Want, zo redeneerden de verantwoordelijke bewindslieden, wie het maatschappelijk draagvlak heeft, heeft het politieke draagvlak. Is het vreemd dat de discussie over het primaat van de politiek onder dergelijke omstandigheden louter een academische blijft?

Ongetwijfeld zullen straks in het eindrapport van de commissie vele behartenswaardige woorden worden gesproken over een andere verdeling van verantwoordelijkheden. Daarmee wordt dan de draad opgepakt van het begin van de jaren tachtig toen in ambtelijke notities van het ministerie van sociale zaken soortgelijke suggesties werden geuit, maar die strandden op het door de politieke leiding gerespecteerde veto van de belangenorganisaties. De erkenning van het probleem is er wel, maar fout loopt het pas als het aankomt op het treffen van maatregelen.

De verantwoordelijkheidsverdeling in de sociale zekerheid is in hoge mate ideologisch bepaald. Toch spelen persoonlijke factoren eveneens een belangrijke rol. Misschien nog wel meer dan wordt aangenomen. In het deze week verschenen "afscheids-interview' met Vrij Nederland zegt ex-staatssecretaris Ter Veld op de haar zo kenmerkende laconieke wijze “meer verstand van verzekeren te hebben dan van politiek”. Onbedoeld geeft ze daarmee aan wat wel eens de kern van het probleem zou kunnen zijn. Jarenlang is de sector sociale zekerheid beheerd door mensen die meer verstand van verzekeren dan van politiek hadden. Uitkeringen, dat was techniek. Maar al te graag bracht de minister van sociale zaken dit pakket onder bij zijn technisch begaafde staatssecretaris.

De sociale zekerheid is decennia achtereen beheerd door mensen die zich door zelfstudie het verschil tussen AAW en AWW hadden weten eigen te maken. Mertens, staatssecretaris van sociale zaken ten tijde van het kabinet Den Uyl leerde de sociale zekerheid kennen als vakbondsbestuurder bij het NKV, De Graaf die hem in 1977 opvolgde had zich bij het CNV vanaf 1953 met het uitkeringsstelsel beziggehouden, terwijl Ter Veld in 1972 nadat zij in dienst trad van het NVV (later de FNV) in aanraking kwam met de materie. Alle drie waren zij deskundig, zeer deskundig. Maar deskundigheid verblindt ook. Hoofdzaken kunnen dan niet meer van bijzaken worden onderscheiden. Hoeveel als fundamenteel aangekondigde debatten over de sociale zekerheid zijn niet verzand in onbegrijpelijke technische exercities? Vanuit het systeem geredeneerd was het volkomen logisch de bijstand begin dit jaar op te tuigen met nog eens 23 verschillende regelingen voor jongeren. Als de politiek verantwoordelijke niet meer aan de basale vraag naar het waarom toekomt, maar slechts gewapend met een enorme dosis feitenkennis gaat amenderen op het bestaande, zijn structurele veranderingen een illusie. Temeer als de betrokken bewindslieden ook nog eens een verleden hebben bij een belangenorganisatie die zo min mogelijk wil weten van wijzigingen, die maar enigszins rieken naar beperking van hun machtspositie.

Als de verhoudingen zo liggen, kan een op dit terrein maagdelijk persoon heilzaam werken. De positie van de nieuwe staatssecretaris Wallage is te vergelijken met die van Dales toen zij in de korstondige periode van het kabinet Van Agt/Den Uyl staatssecretaris van sociale zaken was. Zij wilde fundamentele veranderingen en kon daar gemakkelijk voor pleiten omdat, zoals één van de topambtenaren van sociale zaken tijdens zijn enquêteverhoor zei, Dales qua achtergrond niet zozeer “georiënteerd” was op de sociale partners. Dat voordeel heeft Wallage ook: geen banden met de vakbeweging. Bovendien is oog voor de grote lijn bij hem verzekerd omdat hij geen kenner is van de regelingen.

De handicap van Ter Veld was haar overdosis aan technische kennis waardoor ze niet meer aan de politieke afweging toekwam. Wallage kan dat wel. Politiek heeft de nieuwe staatssecretaris nog geen twee weken na zijn aantreden de eerste winst binnen nu hij de plannen met de bijstand aan jongeren zo snel heeft aangepast en in tegenstelling tot zijn voorganger met de Eerste Kamer "on speaking terms' is over de WAO. Nu de echte hervorming van het sociale zekerheidsstelsel nog. Met Wallage zit er als staatssecretaris in elk geval een generalist die meer verstand van politiek dan van verzekeren heeft. Dat biedt perspectief.