Eiland der verworpenen

“Atauro!” We kijken op van de landkaart en het komt er unisono uit. Een Hollander en een Australiër in Dili, een wit stadje aan een blauwe baai, ergens tussen Ambon en Darwin. Gisteren nog goed voor drie minuten wereldtelevisie, maar nu weer weggezakt in tropensluimer. Hotel Turismo oogt weer even wereldvreemd als vroeger. En nu? We proeven de Mateus en staren naar de zee. Aan de horizon beschijnt de middagzon de naakte toppen van Atauro.

De gegevens zijn veelbelovend. “Een eiland 23 kilometer uit de kust, benoorden Dili.” “Voormalige Portugese strafkolonie met een beruchte gevangenis.” “Laatste wijkplaats van de Portugese gouverneur.” “Na de Indonesische invasie interneringsoord voor Fretilin-gevangenen.” “Geen geregelde verbinding met Oost-Timor.”

We gaan op zoek naar een bootje. Oosttimorezen zijn geen zeevaarders; in de branding verschalken mannen wat vis met zelfgemaakte spiezen en zoeken kinderen krabben en schelpdieren. We worden het eens met twee broers uit Buton, de trotse bezitters van een prauw van vijf meter bij tachtig centimeter, met buitenboordmotor.

Zes uur: de zon gluurt net over Kaap Fatukama. De broers zijn goedgemutst: aan de loefzijde van Atauro is het goed vissen en de bule (blanken) betalen de brandstof. Drie jaar geleden verruilden zij hun eiland bezuiden Sulawesi voor Oost-Timor, waar de vangst overvloedig is en de concurrentie schaars. Zodra de kaap is gepasseerd, stampt het ranke scheepje in de stijve moesson. De Butonezen hozen en wij zijn tot de draad doorweekt.

Na drie uur varen doemt de zuidkust van Atauro op, zover het oog reikt woest en ledig. Dan valt de motor stil en dobberen we schijnbaar hulpeloos in de golven van transparant turkoois. De oudste broer spoelt een klos garen af, de lijn staat strak. In een oogwenk trekt het duo een kloeke zwaardvis aan boord; de snuit met zaagtanden belandt tussen mijn blote voeten. De gebroeders lachen van oor tot oor; hun dag kan niet meer stuk.

Na een kort gevecht met de branding meren we af aan het strand van Maumela, de hoofdplaats van Atauro. Hier wijkt het gebergte voor een smalle kuststrook met kokospalmen. We waden druipend aan land en leggen onze drijfnatte bezittingen te drogen op de huid van een gekanteld bootje. Een grijsaard en twee jongens komen naderbij. De oude grijpt onze handen en lispelt een Portugese groet. De jongens spreken Indonesisch en wijzen naar het dorp. Toonbaar of niet, de audiëntie bij "Pak Desa' duldt geen uitstel.

Een donkerbruine man in korte broek duikt op onder het afdak van zijn stenen huis. Hij weet kennelijk niet goed raad met dit bezoek. “Gaat u eerst maar naar de commandant”, zegt hij in gebrekkig Indonesisch, “straks praten we wel verder.” Hij beduidt zijn wakil (plaatsvervanger), een goedlachse jongeman, om ons te begeleiden naar "Koramil' (komando rayon militer). In Maumela staan nog drie huizen uit de Portugese tijd: die van het districtshoofd, het dorpshoofd en de commandant. De "beruchte' gevangenis is al in de jaren vijftig afgebroken.

De bevelhebber van het twaalf man sterke garnizoen is een gezette, kortgeknipte Sumatraan met hangsnor. Hij houdt kantoor in een simpele barak en begroet ons in t-shirt en korte broek. De officier is even van zijn stuk gebracht, maar vindt steun in het protocol. “Gaat u zitten, heren” - hij wijst naar een houten bank - “papieren?” We verontschuldigen ons voor de doorweekte kleren en de natte plekken op de bank. De commandant bestudeert onze reisvergunning voor "Dili en omgeving' en noteert namen en nummers. Dan verwijst hij ons door naar de politie.

Op "het bureau' gaat het nog informeler toe. De politiemannen, in korte broek, noemen onze komst het verzetje van het jaar en slachten een paar jonge klappers. Op Atauro hecht men niet aan voorschriften; inspecterende meerderen of andere visite zijn een zeldzaamheid. We zetten onze namen in het "gastenboek' van de politiepost. De laatste bezoeker arriveerde eind november 1991. "Nationaliteit: Zwitser.'

We houden de brandende vragen voor ons en informeren naar het wel en wee van de gemeenschap. Atauro telt 6.554 zielen, vijf brommers en geen enkele auto. Dit jaar moet bijna alle voedsel uit Dili komen; de doorgaans toch al korte regentijd bleef uit, voor drinkwater is men aangewezen op putten in de smalle vlakte. Eenmaal weer buiten willen we het weten. De "wakil' geeft toe dat op Atauro nog voormalige politieke gevangenen wonen. “Ze zijn vrij, maar willen niet meer weg”, zegt hij met een ontwapenende glimlach.

Nu aan alle formaliteiten is voldaan, lijkt "Pak Desa' meer op zijn gemak. Zijn naam is Vasco Lopes da Silva; hij is lang voor een Timorees, heeft kroezend haar en een dito baard. We nemen plaats in de rotanstoelen op zijn veranda, die uitkijkt over zee. Vasco is hier in 1954 geboren als zoon van een Afro-Portugese journalist uit Guinee, die na een opstand in Frans Senegal in 1949 werd verbannen naar Atauro. Onze gastheer gebruikt het Indonesische woord dibuang (weggegooid). Zijn Latijns ogende echtgenote serveert geurige Dili-koffie en crackers. Ook zij is hier geboren als kind van bannelingen; haar Portugese ouders kwamen uit Macao. Het huis is gebouwd door Vasco's vader, aan het begin van diens ballingbestaan.

Op het strand ligt een roestig gevaarte, dat doet denken aan de baleinen van een aangespoelde walvis. “Een afscheidsgeschenk van Porto”, zegt Vasco met een grijns. Het is een landingsvaartuig voor rollend materieel, dat in 1975 werd achtergelaten door de Portugezen. Op 26 augustus - Oost-Timor was in de greep van een burgeroorlog tussen het Fretilin en vier andere partijen - vluchtten Lemos Pires, Lissabons laatste gouverneur, en het voltallige garnizoen uit Dili naar Atauro. De drukte duurde drie maanden; eind november gingen Lemos Pires en zijn gevolg per speedboot scheep in een gereedliggend fregat. Oost-Timors dekolonisering was niet meer dan een vlucht.

In 1981 kreeg het eiland opnieuw een invasie te verwerken. Toen werden zo'n drieduizend Oosttimorezen door het Indonesische leger genterneerd op Atauro. Na vijf jaar mochten zij gaan; de meesten vertrokken, maar een aantal bleef. In Maumela huizen nog tien families uit Viqueque, een plattelandsdistrict in het hartje van Oost-Timor, maar in Toro, een desa verderop, zouden nog enkele honderden ex-gevangenen wonen.

Na een smakelijke Portugese maaltijd neemt Vasco ons mee langs de halfverharde dorpsweg naar de "wijk' voor ex-genterneerden, een twintigtal houten optrekjes met verdorde tuintjes. Gezien de taalproblemen - Ataurezen en "nieuwkomers' spreken heel verschillende varianten van het Tetun - heeft Vasco een van de ex-gevangenen, die goed Indonesisch spreekt, aangesteld als wijkhoofd en contactpersoon.

Hij heet Abelino Soares, is pas 33 jaar oud, maar loopt sloffend en licht gebogen, als een oude man. Zijn rechteroog zit halfdicht - mogelijk grauwe staar. Zijn iets jongere vrouw is alleen gehuld in een handgeweven sarung, haar twee blote kindertjes zitten onder het vuil. Abelino spreekt duidelijk en helder, vastbesloten deze kans niet voorbij te laten gaan. Vasco en zijn "wakil' luisteren mee.

Hoe lang bent u al hier?

“Ik ben in 1981 naar Atauro gebracht en ik weet nog steeds niet waarom.”

Was u lid van Fretilin of Falintil (het guerrilla-leger)?

“Nee. Ik was nog een kind toen de Indonesiërs kwamen en ik had niets van doen met politieke partijen. Sommigen van de genterneerden waren lid van het Fretilin. Ik kreeg gewoon te horen dat ik moest verhuizen, hoewel ik niets had gedaan.”

Heeft u hier grond?

“Nee, ik werk op de plantage van iemand anders. Daarvan kunnen we net in leven blijven, maar ik heb niet de middelen om terug te gaan naar Viqueque. Als ik het geld had, was ik al weggeweest.”

Op Atauro is iedereen ontheemd.

    • Dirk Vlasblom