DE OPVOEDERS OPVOEDEN ?

Een kind hoort bij zijn ouders, maar hoort het niet ook een beetje bij de wat ruimere familiekring? Als ik er de tijd voor had zou ik op zolder al mijn kinder- en meisjesboeken gaan doorlezen en turven hoeveel hoofdpersonen niet door hun eigen ouders werden grootgebracht, maar door familieleden - meestal grootouders of oom en tantes. Omdat een groot deel van de boeken uit mijn jeugd stammen uit het pre-antibiotica tijdperk, hadden vooral weeskinderen een veel voorkomende en belangrijke rol in de verhalen. Ze waren vaak wel, maar soms ook niet gelukkig, net dus als kinderen die bij hun ouders wonen. Uit m'n hoofd weet ik dat het kleindochtertje van Ouwe Bram - W.G. van der Hulst - een lief leventje had tot ze verdronk, maar dat de jonggestorven Jet van Marle uit Schoolidyllen van Top Naeff het slecht had getroffen bij haar oom en tante. Hoe dan ook, het was een gewoon verschijnsel dat je tijdens het lezen herkende uit het dagelijks leven. De oudtante naar wie ik ben vernoemd kwam als kind na de dood van haar ouders in huis bij haar net getrouwde zusje, mijn oma. Mijn grootvader nam daartoe de beslissing, waarschijnlijk wel in overleg met de familie, maar zonder dat daar enige officiële instantie aan te pas kwam.

Ook nu er nog maar weinig weeskinderen zijn, blijken mensen, als je zo eens rondvraagt, het nog steeds de meest voor de hand liggende en mooiste oplossing te vinden dat kinderen die niet door hun eigen ouders kunnen worden grootgebracht bij hun familie in huis komen. Men lijkt daarbij een natuurlijk "ja-tenzij-principe' te hanteren. Een kind is bij familie het beste op zijn plaats, tenzij de familie niet wil, niet kan (bijvoorbeeld te oud is of gehandicapt of niet op kinderen is ingesteld) of niet mag (bijvoorbeeld als het een crimineel milieu betreft of de familieleden aan de drank zijn).

Men vindt dit niet alleen een vanzelfsprekende oplossing, men denkt ook dat het in de praktijk zo toegaat. En dat is niet zo. Dat komt doordat tegenwoordig de overheid zich in dergelijke beslissingen mengt en in de Nederlandse wet alleen ouders zeggenchap over hun kinderen hebben. Als zij de ouderlijke macht niet (meer) kunnen uitoefenen, wordt de overheid verantwoordelijk en beslist zij over de voogdij. Grootouders, en andere familieleden hebben daarbij geen enkele wettelijke status en zijn in dit verband gewone burgers. In de praktijk worden weeskinderen wel zoveel mogelijk bij familie geplaatst, maar toch is het verstandig als ouders bij testament een voogd aanwijzen voor het geval zij komen te overlijden. Er moeten dan wel heel zwaarwegende redenen zijn als de Raad voor de Kinderbescherming daar later vanaf wijkt.

Heel anders ligt dat bij ouders die wel in leven zijn, maar niet in staat zijn de ouderlijke macht uit te oefenen. Ze zijn bijvoorbeeld geestesziek of aan de drugs of ze verwaarlozen hun kinderen. Het aantal weeskinderen mag dan vergeleken met vroeger sterk zijn afgenomen, het aantal kinderen met verslaafde ouders neemt toe.

Als de situatie onhoudbaar wordt, mogen deze ouders niet zelf beslissen in welk gezin hun kind zal worden grootgebracht. Dat doet de kinderrechter op advies van de Raad voor de Kinderbescherming. En ook hier geldt dat in de wet aan familieleden geen enkel speciaal recht wordt toegekend. Integendeel, het blijkt dat zij in de praktijk zelfs zoveel mogelijk worden buitengesloten, ook al willen zij nog zo graag voor hun kleinkind, neefje of nichtje zorgen.

Enige tijd geleden deden enkele functionarissen van de Raad voor de Kinderbescherming daarover niet mis te verstane uitspraken in het Algemeen Dagblad. ""Grootouders zijn een verlengstuk van de ouders. Zij zijn meestal geen optie als het om plaatsing van een baby gaat'' en ""Gaat het om uithuisplaatsing dan geniet de familie (...) in het algemeen niet de voorkeur.'' Wat lange tijd de meest voor de hand liggende oplossing was en wat veel mensen denken dat nog steeds gebeurt - familieleden zijn de eerst aangewezenen om een "ouderloos' kind op te nemen - is tegenwoordig geen praktijk meer.

Wat is de oorzaak van het verschil tussen natuurlijke en ambtelijke opvattingen? De Raad voor de Kinderbescherming beroept zich op de psychologie. Twee kernbegrippen die worden gehanteerd zijn loyaliteit en loyaliteitsconflict. Men gaat ervan uit dat het desbetreffende familielid, wil het goed voor het kind kunnen zorgen, alle banden met de ouder(s) zou moeten verbreken, en dat dat niet kan. Grootouders zullen altijd enige verbondenheid en dus loyaliteit ten opzichte van hun verslaafde dochter houden en daarom hun kleinkind niet onbevangen kunnen grootbrengen. Een vrij rationele redenering, waarin emoties in een boekhoudkundig systeem worden ondergebracht.

In de psychologie zijn ook stromingen waarbinnen heel anders over verbondenheid en loyaliteit wordt gedacht. Zoals in de theorie van Boszormenyi-Nagy, die ervan uitgaat dat de verbondenheid tussen ouders, kinderen en grootouders hoe dan ook bestaat en dat je die de mensen niet alleen niet moet afnemen, maar ook niet kunt afnemen. De kunst van hulpverlening is juist hen te leren leven met wat gezinstherapeute ElseMarie van de Eerenbeemt de "veelzijdige partijdigheid' noemt. Een mooie omschrijving voor de familiaire loyaliteiten-ondanks-alles, die men naar diverse kanten kan hebben. Grootouders zouden er waarschijnlijk meer bij zijn gebaat als zij werden geholpen het evenwicht te bewaren tussen hun gevoelens voor hun verslaafde kind en die voor het kleinkind dat zij grootbrengen, dan wanneer zij de moeder moeten afzweren. En voor dat kleinkind zelf zou het ook wel eens beter kunnen zijn, dan wanneer het op de zogenaamd neutrale grond van kindertehuis of pleeggezin opgroeit. Binnen de familiekring krijgt ook zijn eigen verbondenheid-ondanks-alles met de verslaafde moeder enige vorm.

Ik geloof dan ook niet zo erg in die psychologische motivering voor de rol van de Raad voor de Kinderbescherming. Het moet iets anders zijn dat maakt dat de overheid zich - via de Raad - niet beperkt tot erop toe zien hoe een familie zelf een probleem oplost, waarbij ze steun aanbiedt als het lukt, en pas ingrijpt als het niet lukt. Volgens mij hangt het samen met de algemene argwaan ten aanzien van het gezin, die tegenwoordig in hulpverleningskringen is te beluisteren. Ik hoor hier de echo van de vroegere invloed van de rooms katholieke kerk, die eveneens weinig vertrouwen had in de zelfredzaamheid van de ouders. Zij zorgden voor de zieltjes, maar wat daar vervolgens mee moest gebeuren kon men maar beter aan de kerk overlaten.

Van de Nederlandse denkwereld wordt vaak gezegd dat deze van het calvinisme is doortrokken, maar ik vraag me af of dit nog wel waar is. En dan niet doordat de Islam via de allochtone bevolking aan invloed zou winnen, maar doordat de emancipatie van de roomskatholieken sinds de vorige eeuw zo krachtig heeft doorgezet. En men mag dan wel op grote schaal ontkerkelijkt zijn, dat wil nog niet zeggen dat daarmee ook de vroegere denkstijlen zijn verdwenen. Het Calvinistische idee van een overheid die, om het modern te zeggen, randvoorwaarden schept, maar de rest overlaat aan de souvereiniteit en verantwoordelijkheid binnen de eigen kring is - in ieder geval waar het kinderen betreft - tegenwoordig soms ver te zoeken. Lees bijvoorbeeld in het pas verschenen themanummer van het tijdschrift Jeugd en Samenleving de bijdrage van hoogleraar René Diekstra. Daarin pleit hij voor overheidprogramma's ""gericht op monitoring respectievelijk regelmatig screenen van kinderen en jeudigen op ontwikkeling en ontwikkelingsproblemen. Die monitoring zou al vanaf het moment van conceptie (...) moeten beginnen''. Vergeleken met vroeger - toen de pastoor al vóór de conceptie kwam vragen waar of het volgende kindje bleef - dus wel een stapje terug.

Monitoring betekent in dit verband bijsturing van het ouderlijk gedrag en misschien klinkt dit sommige lezers vrij onschuldig in de oren. Het kan toch nooit kwaad periodiek te peilen of een kind problemen heeft? Dat mag gelden voor de lichamelijke gezondheid of voor schoolvorderingen, maar dat kan niet gelden voor de emotionele ontwikkeling, omdat daar geen harde criteria zijn te stellen. Wat is een goede psychosociale ontwikkeling? Wanneer is een kind wat dat betreft optimaal ontwikkeld? Wie stelt daar de norm? Wat is een ideaal kind? Is de ontwikkeling van een verlegen kind mislukt? Een overheid die uitmaakt wat ouders - al dan niet met steun uit de familiekring - moeten nastreven is een eng vooruitzicht. Toch is dat wat Diekstra voor ogen moet hebben met het Nationaal Centrum voor Opvoeding en Ontwikkeling en het plan voor de "opvoeding van de opvoeders'.

Helga Kormos: Hulp grootouders te veel beknot. Algemeen Dagblad, 24 maart 1993.

I. Boszormenyi-Nagy & G.M. Spark: Invisible Loyalties. New York: Harper & Row, 1973.

René Diekstra: Opvoeding tot opvoeden: ontwikkeling en overheidsbeleid. Jeugd en Samenleveing, juni/juli, 1993.