Dagelijks Brabants leven wordt grondig uitgezocht

Een pront wijf, een mager paard en een zoon op het seminarie. Aanzetten tot een integrale geschiedenis van oostelijk Noord-Brabant 1779-1914. J.A. van Oudheusden en G. Trienekens (redactie). 's-Hertogenbosch, Stichting Brabantse Regionale Geschiedbeoefening (tel. 073-146193), 1993. 320 blz., gell., ISBN 90-72526-20-1 prijs ƒ 39,50.

Een historicus, zo wil een vertrouwd cliché-beeld, is een solist pur sang. Maar dat een geschiedvorser zich, zonder dat hij aan iets of iemand rekenschap hoeft af te leggen, vol overgave een decennium lang kan uitleven op een kleinigheid die eigenlijk amper een voetnoot waard is, behoort reeds lang tot het verleden. Vandaag de dag is de trend dat historisch onderzoek bij voorkeur in teamverband wordt uitgevoerd. De "Stichting voor Historisch Onderzoek', reserveert een steeds groter wordend deel van haar budget voor projecten waarbij veel onderzoekers zijn betrokken. Niet de onderzoeker zelf bedenkt de hypothese, maar een team van hooggekwalificeerde begeleiders verricht deze creatieve arbeid. De onderzoeker kan solliciteren naar een betrekking om deze opdracht - vaak binnen een tijdsbestek van vier jaar - uit te voeren en als dank voor bewezen diensten de graad van "doctor' in de schoot geworpen te krijgen.

Het eerste project dat op deze leest geschoeid werd, ging in september 1987 aan de Rijksuniversiteit Utrecht van start en staat sindsdien bekend als het "Meierij-project'. In de onlangs verschenen bundel Een pront wijf, een mager paard en een zoon op het seminarie worden de eerste resultaten van dit ambitieuze onderzoeksproject gepresenteerd.

Onvrede

Achtergrond van het project was de onvrede over de steeds verdergaande opsplitsing van het vak geschiedenis in tal van deeldisciplines en aspectbenaderingen. De Utrechtenaren wilden een koppeling tot stand brengen tussen enerzijds de door de historicus vast te stellen ontwikkelingen op demografisch, sociaal, politiek en cultureel terrein en anderzijds de voorstelling en beleving die mensen in het verleden hiervan hadden. Aan deze gedachte ontleent het boek zijn titel: zo meende een boer aan het eind van de negentiende eeuw tevreden te kunnen zijn, als hij zich verzekerd wist van een pronte vrouw, een mager paard en een zoon op het seminarie.

Om nog een andere reden vormt het Meierij-project een noviteit in het historisch onderzoek in Nederland. Het leeuwedeel van de verzameling van de gegevens werd niet door de Utrechtse onderzoekers zelf verricht, maar door een ploeg van 200 historisch niet-geschoolde vrijwilligers. Zij hebben voor de tien geselecteerde voorbeeldgemeenten een groot deel van het archiefmateriaal doorgenomen. De onderzoekers kregen daardoor de beschikking over een stortvloed aan gegevens die als hapklare brokjes aangeleverd werden. Het ligt aan het vakmanschap van de onderzoeker of alles juist op zijn plaats zal vallen.

Opzet en uitvoering maken van het Meierij-project het grootste historische onderzoek dat ooit in Nederland is uitgevoerd. Vandaar dat historisch Nederland met grote spanning op Een pront wijf, een mager paard en een zoon op het seminarie wachtte. In dit boek zijn zeven studies opgenomen van sterk uiteenlopende omvang - en van wisselende kwaliteit.

Nieuwe vragen

De peetvader van het project, Gerard Trienekens, vergelijkt in zijn bijdrage de ontwikkelingen in twee op het eerste gezicht identieke gemeenschappen in dezelfde regio, Wanroij en Aarle-Rixtel. Bij nadere beschouwing blijken er grote verschillen. Trienekens vaart in zijn beschrijving niet blind op het kompas van de historici die zich vroeger al met deze materie hebben beziggehouden, maar formuleert wezenlijk nieuwe vragen. Zo constateert hij dat in Wanroij tussen 1889 en 1910 het aantal boerenhuishoudingen met 41 toenam, terwijl het aantal woningen en huishoudens gelijk bleef. Uit het monnikenwerk van de vrijwilligers blijkt dat een grote groep arbeiders- en wevershuishoudens vanaf 1889 kans zag boer te worden.

Trienekens stelt nu de vraag waarom deze groep er vanaf 1889 wel in slaagde boer te worden en daarvoor niet. Hij zoekt het antwoord vooral in de verandering in de internationale agrarische verhoudingen en de aansluiting die Wanroij, na de aanleg van de beide spoorlijnen over Mill en Boxmeer, bij deze internationale conjuncturele ontwikkelingen had. De graanprijzen daalden na 1877 drastisch en dat betekende voor de Brabantse keuterboertjes goedkoper voedergraan en ander veevoeder. Deze verhouding werd op een gegeven moment dermate gunstig dat veehouderij mogelijk werd zonder eigen voederbasis. Zij legden zich aanvankelijk vooral toe op het houden van varkens en kippen ten bate van produktie voor de markt om zodoende extra inkomsten te verwerven. De status van boer kreeg men pas als men minstens één koe bezat. Maar ook de prijzen van koeien daalden zodat deze voor de boeren-in-spé binnen het bereik kwam. Het gegeven dat het aantal melkkoeien in Wanroij van 462 in 1884 naar 739 in 1903 steeg en dat het aantal werkpaarden met slechts zeven toenam, lijkt een ogenschijnlijke contradictie, maar past bij nadere beschouwing precies binnen de beschreven ontwikkeling. De "traditionele boerenhuishoudens' beschikten al voor 1884 over een paard, terwijl de "nieuwe' boeren hier in 1903 nog niet aan toe waren. Dit was voor hen trouwens, vanwege de geringe omvang van het akkerland, weinig bezwaarlijk. Trienekens stelt dan ook dat de landbouwcrisis en de hierop volgende herstructurering van het agrarisch bedrijf op termijn gunstig zijn geweest voor de agrarische sector in Wanroij.

Bedeling

Waar Trienekens zich soms voorzichtig moet uitlaten of zelfs het antwoord nog schuldig moet blijven, slaagt Maarten Prak er in diep verankerde historische opvattingen op losse schroeven te zetten. Hij kijkt in zijn bijdrage "Overvloed of onbehagen? Armoede, armen en armenzorg in 's-Hertogenbosch, 1770-1850' met nieuw geslepen brilleglazen naar een reeds uitgemolken historisch thema en komt met verrassende nieuwe inzichten. Het gangbare beeld was dat het in Den Bosch vrij gemakkelijk was anders dan door arbeid in zijn onderhoud te voorzien. Wordt de negentiende eeuw algemeen gekarakteriseerd als de eeuw der filantropie, voor de Brabantse hoofdstad gold dit bij uitstek. Prak bekijkt de armenzorg vanuit een ander perspectief en concludeert dat voor veel armen de bedeling in feite een loontoeslag was. In Den Bosch maakte de bedeling het bestaan van een omvangrijke stedelijke huisnijverheid mede mogelijk die het moest opnemen tegen die van het platteland, waar de kosten van levensonderhoud lager waren en de mogelijkheid bestond om met behulp van een eigen stukje grond in een deel van de voedselbehoefte te voorzien. Meer in het algemeen stelt hij dan ook dat de bedeling de werking van de arbeidsmarkt niet belemmerde - zoals de oudere historiografische traditie ons wilde doen geloven - maar deze juist versoepelde.

Helaas bevatten niet alle bijdragen evenveel vuurwerk. Ronduit teleurstellend is de bijdrage over het schoolbezoek en het alfabetisme. Dolly Verhoeven trapt wel een erg ver open staande deur in als ze aan het eind van haar artikel stelt "dat veranderingen in het aanbod van onderwijs, in de kosten, de kwaliteit en de aard ervan, van invloed waren op de wijze waarop schoolbezoek en alfabetisme zich in de loop van de negentiende eeuw ontwikkelden'. Ik hoop van harte dat haar artikel niet representatief is voor het door haar verrichte onderzoek.

In tegenspraak

Curieus genoeg komen twee onderzoekers die in dezelfde tijdspanne dezelfde regio bestuderen met onderzoeksresultaten die met elkaar in tegenspraak lijken. Geurt Rombach constateert een toenemende criminaliteit gedurende de tweede helft van de negentiende eeuw. Hij geeft voor 1900 cijfers die voor geheel Nederland gelden: in 50% van de openlijke geweldplegingen en in 56% van de zware mishandelingen werd een katholiek veroordeeld, terwijl die gezindte maar 35% van de totale bevolking uitmaakte. Walther van Halen daarentegen ziet dat in dezelfde periode het devotionaliseringsproces (het intenser worden van het religieuze leven van de gelovige leek) tot ongekende bloei komt. Hoe deze zaken in de nabije toekomst in een gentegreerde synthese met elkaar kunnen worden gecombineerd lijkt me een hele opgave. Deze bundel maakt in ieder geval een ding duidelijk: het is nog een integrale geschiedenis in wording.

nh 812.353nb