Copland en Bernstein aanstekelijk gespeeld

Concert: Kon. Concertgebouworkest o.l.v. Edo de Waart met Frank Peter Zimmermann (viool). Programma: werken van Richard Strauss, Glazoenow, Copland en Bernstein. Gehoord: 16/6 in het Concertgebouw Amsterdam. Herhaling: 17/6 aldaar.

In het schemergebied tussen muziek en humor loert het spook van de platvloersheid, maar Leonard Bernstein wist de twijfel meestal in zijn voordeel te beslissen. Toen alle leden van het Koninklijk Concertgebouworkest gisteravond in het Amsterdamse Concertgebouw kort en ritmisch met hun vingers knipten was dat geestig. Het pandemonium van Amerikaanse folklorismen, Puertoricaanse dansritmes, big-band-jazz en schmierende operalyriek in Bernsteins Symfonische dansen uit West side story ademde zo'n bezeten energie dat je je wel gewonnen moest geven.

Ook de aanstekelijke syncopen, het vrolijke koper en de mopperende fagotten in de Four dance episodes uit Rodeo (1943) van Aaron Copland werden door dirigent Edo de Waart met veel gevoel voor onversneden effecten gepresenteerd. Ondanks de belemmeringen van een grote bezetting klonken de ritmische vondsten die Copland in de eerste episode inbouwde aangenaam exact. Net als zijn landgenoot Bernstein hield Copland van een muzikaal geintje; aan het begin van de derde episode plaatst hij de hoge strijkers in de rol van een groepje plattelandsviolisten die moeizaam hun instrumenten stemmen. Het laatste deel klonk zoals Copland zelf vond dat het moest: als een wekker die afloopt.

Als er al iets op het concert viel aan te merken, dan was het de zonderlinge asymmetrie tussen het romantisch getinte deel voor de pauze en het Amerikaanse musicalvermaak erna. Met enige goede wil loopt er nog wel een lijn naar de briljante orkestratie van Richard Strauss' symfonische gedicht Don Juan waarmee het programma opende, maar het serene Vioolconcert op. 82 van Alexander Glazoenow viel toch enigszins uit de toon.

De Duitse violist Frank Peter Zimmermann speelde in de solopartij van Glazoenows concert een aristocratisch spel met timbres. Zimmermann heeft een donkere, houtachtige toon die zich in de hogere registers geleidelijk loszingt van het instrument, maar nooit een scherpe of steriele indruk maakt. De interpunctie die hij in zijn muzikale betoog aanbrengt, is gericht op een vloeiende, schijnbaar terloopse frasering die zich voegt naar de bewegingen in het orkest. Het fluwelen spel van Zimmermann sloot goed aan bij de op klankschoonheid en minder op diepwoelende emoties aansturende muziek van Glazoenow. Zowel in de mooie cadens aan het eind van het langzame deel als in de toegift poseerde hij niet als virtuoos en bleef zijn ongekunstelde techniek onderworpen aan de logica van de muziek.