B.J. HABIBIE; Jakarta's bolleboos

JAKARTA, 17 JUNI. De gisteren in Nederland aangekomen Indonesische professor dr. ir. B.J. "Rudy' Habibie is man van zwaar politiek kaliber, die mogelijk een sleutelrol kan vervullen in het herstel van de verstoorde betrekkingen met Den Haag. Habibie, minister van onderzoek en technologie en "Indonesiës nationale bolleboos' blijft drie dagen.

Op de Indonesische televisie probeert hij geregeld het Indonesische volk te overtuigen van de zegeningen der techniek. Voordat president Soeharto hem terugriep naar Indonesië, ontwierp hij in Duitsland vliegtuigen en satellieten. is

Vergeleken met Bacharuddin Jusuf ("Rudy') Habibie is zelfs de president, zijn leermeester en peetvader, een kleurloze figuur. Habibies werkkamer op het departement is door de moeder des vaderlands, mevrouw Tien Soeharto ooit een uitdragerij genoemd. Zijn bureau staat vol met vliegtuigmodellen en andere high-techspeeltjes. Sinds zijn hartoperatie in Duitsland, twee jaar geleden, prijkt er ook een opengewerkt model van zijn eigen hart, compleet met bypass. Ontwikkeling - het nationale motto van Indonesië - is in de ogen van Habibie synoniem voor technologie. Terwijl het land zijn deviezeninkomsten verwerft met de uitvoer van textiel, tropisch hout en aardolie, trekt het land jaarlijks tientallen miljoenen dollars uit voor de instandhouding van enkele technisch geavanceerde industrieën, met als paradepaardjes een vliegtuigfabriek in Bandung en een scheepswerf in Surabaya. Van beide ondernemingen is Habibie president-directeur. Hoewel economen in binnen- en buitenland - onlangs nog die van de Wereldbank - kritiek uiten op deze peperdure, nog steeds niet renderende projecten houdt Habibie vol dat dit speerpuntindustrieën zijn die het land aan hoogwaardige technische kennis helpen en die op den duur als trekpaard zullen fungeren voor andere bedrijfstakken.

Ter verdediging van zijn troetelprojecten citeert Habibie graag wijlen president Soekarno, die veertig jaar geleden zei dat “deze grote eilandstaat alleen verenigd kan worden als hij zijn eigen vliegtuigen en schepen kan bouwen.” Van Soekarno kreeg de jonge Rudy in 1955 een beurs om te gaan studeren aan de Technische Hochschule in Aken. Hij was 24 toen hij als eerste buitenlander in het naoorlogse Duitsland de titel van luchtvaartingenieur behaalde. In 1965 promoveerde hij op een proefschrift over thermo-elasticiteit bij hypersonische snelheden. Daarna maakte hij met supersonische snelheid carrière in de luchtvaartindustrie, waar hij satellieten en raketten ontwierp. Toen president Soeharto hem in 1974 naar Indonesië terughaalde, had Habibie het geschopt tot vice-president van het vliegtuigconcern Messerschmitt Bölkow-Blohm.

Sinds 1978 geeft Habibie leiding aan het ministerie van onderzoek en technologie, met een speciale opdracht van zijn godfather: voor Indonesië een plaats veroveren tussen de moderne naties. Cynici zien hem eerder als de bouwmeester van dure high-techmonumenten voor zijn president. Habibie behoort tot de kleine kring vertrouwelingen van Soeharto. De medewerkers van de president zetten hem altijd als laatste op de gastenlijst, zodat het gesprek desnoods urenlang kan uitlopen. De andere ministers mogen al blij zijn als ze een half uurtje belet krijgen.

In politieke zaken noemt Habibie zichzelf “de leerling van professor Soeharto, die mij inwijdde in de Javaanse filosofie”, ragfijn Javaans machtsspel. Rudy leert snel, ook deze minder tastbare materie heeft hij intussen aardig in de vingers. Dat moet ook wel, want bij een andere hoofdrolspeler in het Indonesische politieke drama, de strijdkrachten, is hij minder gezien. Menige generaal heeft er moeite mee dat deze burger de scepter zwaait over 's lands strategische industrie, de militairen beschouwen hem bijna als staatsgevaarlijk.

Begin deze maand haalde Habibie zijn jongste stunt uit. De te waterlating van een nieuwe veerboot op de staatswerf in Surabaya werd op zijn initiatief bijgewoond door een aantal notoire dissidenten, onder wie Ali Sadikin, een voormalig gouverneur van Jakarta en voorzitter van Petisi 50. Deze groep bestaat uit enkele tientallen gepensioneerde militairen en oud-politici, die in 1980 een petitie richtten aan Soeharto waarin zij hem ervan beschuldigden de democratische beginselen van de grondwet met voeten te treden. Daarop werden alle ondertekenaars maatschappelijk en politiek uitgerangeerd.

Het onthaal in Surabaya van Sadikin en nagenoeg de hele stuurgroep van Petisi 50 had de zegen van Soeharto en was een politieke meesterzet. Hadden de genodigden bedankt, dan waren ze het gesprek met de macht uit de weg gegaan waarom ze zo vaak hadden gevraagd. Door de uitnodiging aan te nemen veroorzaakten ze verdeeldheid in eigen kring, want niet alle Petisi-leden waren gelukkig met deze visite. De activist voor de rechten van de mens Jan "Poncke' Princen schreef de stuurgroep een brief waarin hij zich afvroeg “wie nu eigenlijk in wiens val gelopen is”. Een terechte vraag, die Rudy en zijn politieke leermeester ongetwijfeld heeft gestreeld.