BETUWELIJN

Verbetering van een verbinding terwille van de internationale handel was in de negentiende eeuw ook aan de orde.

Het ging toen om de noord-zuidroute tussen Amsterdam en de Rijn, die van oudsher via het Vechtgebied liep. De waterweg, de Utrechtse Vecht, voldeed niet meer door de toegenomen omvang van de schepen. In 1851 stelde minister Thorbecke een commissie van advies in. Er volgde een lange periode van plannen, ontwerpen, en adviezen waarbij vooral Amsterdam en Utrecht trachtten hun eigen belangen veilig te stellen. De regering zag uiteindelijk af van aansluiting aan en verbetering van de traditionele route, maar koos voor het graven van een kanaal buiten dat gebied: het Merwedekanaal.

In de twintigste eeuw werd voor de verbinding over land hetzelfde beleid gevolgd. Geen uitbreiding van de in 1812 aangelegde Straatweg langs de Vecht tussen Amsterdam en Utrecht maar een geheel nieuwe rijksweg buiten de rivierzone. Er ontstonden drie verbindingen: de spoorlijn (1843), het Merwedekanaal (1892, naderhand verbreed tot het Amsterdam-Rijnkanaal, 1952), en de A2 (1954). Deze keuze legde de infrastructuur voor de toekomst vast. De uitwerking is buitengewoon gunstig gebleken. Op nadere ontwikkelingen en nieuwe behoeften kon worden ingespeeld. Anderzijds heeft dit beleid een sparend effect gehad op het Vechtgebied, wat overigens destijds geen punt van overweging was. De regering zag op tegen de kosten en de stagnatie die door de verbreding en kanalisatie van de Vecht zouden ontstaan. Dat de Vechtstreek in de 20ste eeuw een belangrijk recreatiegebied zou worden waarbij het behoud van karakteristieken en cultureel erfgoed ook economische belangen zou dienen - het toerisme - kon men toen niet voorzien.

De huidige problemen lopen parallel met wat de regering destijds bezighield. De omstandigheden zijn echter anders: de schaarste aan land bij een sterk groeiende bevolking. Daarbij komt het in de 20ste eeuw zwaarder gewaardeerde belang van het behoud van cultureel erfgoed en karakteristieken. In recente beleidsnota's zijn deze feiten verwoord.

Aan de nationale en internationale ontwikkelingen kunnen we niet voorbijgaan. Maar is er niets beters te verzinnen dan de opoffering van een steeds groter contingent land aan een steeds uitgebreider infrastructuur? Nieuwe technische mogelijkheden, de geijkte manier om het probleem van schaarste van middelen plus vergroting van behoeften op te lossen, worden van de tafel geveegd. Nieuwe ideeën zijn altijd omver te halen met "kostenplaatjes'. Zo gaat de Betuwe eraan. Heeft de minister niets geleerd van de geschiedenis?