Advies: bij vormfouten minder snel vrijspraak

DEN HAAG, 17 JUNI. Het schenden van vormvoorschriften bij de berechting van verdachten moet in zijn algemeenheid minder snel leiden tot vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging.

Dat is de strekking van het onderzoeksrapport Recht in vorm dat de commissie die de herijking van het Wetboek van Strafvordering onderzoekt, heeft aangeboden aan minister Hirsch Ballin (justitie). De commissie stond onder leiding van mr. Ch. Moons, oud-president van de Hoge Raad.

De commissie constateert dat de strikte gebondenheid van de rechter aan de telastelegging evenals de wijze waarop vormvoorschriften worden gesanctioneerd aanleiding geeft tot maatschappelijke onvrede over het functioneren van het strafproces. “Het publiek begrijpt niet waarom in het stelsel van strafproces een verdachte vrijuit gaat, hoewel vriend en vijand ervan overtuigd zijn dat hij strafbaar heeft gehandeld, terwijl dat ook uit de bewijsmiddelen blijkt”, aldus de commissie Moons.

Daarom adviseert de commissie een versoepeling van de gebondenheid van de rechter aan de telastelegging. Als bij voorbeeld tijdens de rechtszitting blijkt dat de diefstal op een andere tijd en plaats is gepleegd, dan in de telastelegging staat, dan moet de rechter volgens Moons kunnen uitgaan van de juiste tijd en plaats en toch kunnen straffen.

Kleine technische fouten in de telastelegging mogen volgens de commmissie niet langer leiden tot vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging, zonder dat de rechter heeft geoordeeld. Een voorbeeld. Als in een telastelegging staat dat een verdachte de verkeersveiligheid in gevaar heeft gebracht omdat hij tegen een boom aan de linkerkant van de weg reed, maar dat bleek een boom aan de rechterkant te zijn, dan mag zo'n verdachte volgens de commissie niet zonder meer worden vrijgesproken. Als blijkt dat een verdachte zich niet aan de tenlaste gelegde diefstal heeft schuldig gemaakt maar aan heling of verduistering, dan moet de rechter volgens de commissie op grond van de nieuwe feiten kunnen oordelen. De bevoegdheid van de rechter mag volgens de commissie echter niet zóver gaan dat de rechter een geheel ander stafbaar feit bewezen mag verklaren.

De commissie is ook van mening dat de wetgever weliswaar de vormvoorschriften vaststelt maar dat de rechter zelf de gevolgen van schending bepaalt. Het aantal vormvoorschriften dat met nietigheid wordt bedreigd, moet volgens de commissie drastisch worden beperkt.

Ook het risico van termijnoverschrijdingen en vormverzuimen bij de voorlopige hechtenis van verdachten, moet volgens de commissie-Moons verminderen. De rechtbank moet de mogelijkheid krijgen na tien dagen bewaring een maximale voorlopige hechtenis van negentig dagen op te leggen. Nu zijn die termijnen twee keer zes dagen met daarna dertig dagen hechtenis, waarvan twee keer verlenging met dertig dagen kan worden aangevraagd.

Minister Hirsch Ballin (justitie) verklaarde dat de adviezen van de commissie-Moons over het strafprocesrecht hem zeer aanspreken. Zowel het inperken van de vormvoorschriften voor het strafproces, waardoor verdachten vrijgelaten moeten worden, als de mogelijkheid voor de rechter om de tenlastelegging te verruimen, hebben zijn instemming.

De aanbevelingen van de commissie-Moons zullen voordat de minister tot een definitief oordeel komt voor advies aan het openbaar ministerie en de Vereniging voor Rechtspraak worden voorgelegd.