Ultieme "road movie' bevat Wenders' hele oeuvre

Until the End of the World (Bis ans Ende der Welt). Regie: Wim Wenders. Met: Solveig Dommartin, William Hurt, Sam Neill, Jeanne Moreau, Max von Sydow, Rüdiger Vogler. In: Amsterdam, Alfa 1 en The Movies 1.

De koudwatervrees van het Nederlands bioscoopbedrijf heeft ook voordelen. Bijna twee jaar nadat de rest van de wereld constateerde dat Wim Wenders 23 miljoen dollar verspild had aan een film die niemand wil zien, breekt ten tijde van de Nederlandse première, vlak na de Cannes-presentatie van Wenders' volgende film, al bijna het moment aan voor rehabilitatie van Until the End of the World (Bis ans Ende der Welt). De Duits-Frans-Australische coproduktie, opgenomen op vier continenten en volgestouwd met ecologische, semiotische, cultuurfilosofische en cinematografische boodschappen, zou je nog het best kunnen vergelijken met de grootheidswaan van Heaven's Gate. Ook deze Europese kunstfilm-variant van Cimino's hybris dreigt na een diepe val uiteindelijk toch nog onderschat te worden.

Net als Cimino kan Wenders terecht tot zijn verdediging aanvoeren dat de financiers, zenuwachtig geworden over de uit de hand gelopen kosten, hem gedwongen hebben tot een niet bij de opzet passende lengte van de film. Until the End of the World had vijf uur moeten duren; je kunt het de regisseur dan moeilijk verwijten dat de versie van twee uur en drie kwartier een overladen, topzware indruk maakt.

De eerste 78 minuten blijven desondanks aardig overeind, door de vaart van wat Wenders terecht "de ultieme road movie' noemt. In de herfst van 1999, wanneer de Indiase atoomsatelliet op drift is geraakt, reist Claire Tourneur (Solveig Dommartin) rusteloos van Venetië via Parijs, Berlijn, Lissabon, Moskou, China, Japan en San Francisco naar Australië. Ze volgt een toevallig meegenomen lifter (William Hurt), die haar van een aanzienlijk geldbedrag beroofd heeft. Allengs wordt duidelijk dat de reden ook een "amour fou' is, maar eveneens nieuwsgierigheid naar 's mans geheime uitvinding.

Na onderweg te zijn geconfronteerd met een bonte verzameling technologische snufjes, die de film alleen daarom al geschikt maken voor vertoning op de Firato, komt in de binnenlanden van Australië de aap uit de mouw. Hurt heeft een camera ontwikkeld, waarmee blinden kunnen zien, doordat de activiteit van de visuele cortex direct geregistreerd wordt. De melodramatische aanleiding is dat zijn moeder (Jeanne Moreau) blind is. Het niet doordachte neveneffect van het procédé is dat het mensen in staat stelt hun dromen op te nemen en af te draaien. In de eerste maanden van de 21ste eeuw raakt het Australische gezelschap al snel verslaafd aan deze beeld-drug; smekend om batterijen voor haar video-monitor wordt Claire bevrijd door haar ex-man (Sam Neill), die "cold turkey' toepast. Door zijn op een mechanische typemachine geschreven roman voor te lezen komt Claire weer met beide voeten op de aarde terug, althans, voorlopig.

Until the End of the World lijkt wel Wenders' filmische testament. Zijn hele oeuvre is er in terug te vinden: de reislust van Im Lauf der Zeit, de kolonisering door beelden uit Paris,Texas, de quasi-misdaad-intrige uit Der amerikanische Freund, de schrijfmachine van Hammett en bovenal de verslaving aan al dan niet bewegende beelden. Eenmaal neergestreken op de stoffige Australische locatie, waar Dr. Frankenstein (Max von Sydow) zijn laboratorium lijkt te hebben genstalleerd, verliest de film snel zijn kwikzilverige charme en wordt, soms onverdraaglijk, prekerig en betekenisvol. Maar het blijft een vaak adembenemende, regelmatig inspirerende en absoluut bezienswaardige sleutelfilm, niet alleen in het werk van Wenders, maar ook in de discussie over onze afhankelijkheid van het Beeld in dit nieuwe fin-de-siècle.