Meedogenloze spiegel voor het beleid

De Tweede Kamer behandelt morgen het rapport van de commissie-De Jong over de inkrimping van het grote aantal adviesraden van de rijksoverheid. Op deze pagina geven twee auteurs hun visie op de aanbevelingen. Het oud-Tweede Kamerlid W. Aantjes vindt dat De Jong c.s. verzuimd hebben de adviesorganen inhoudelijk te toetsen. J.J. van Aartsen meent dat er tijdelijke adviescommissies moeten komen met een duidelijke, gerichte opdracht.

De secretarissen-generaal hebben aanbevelingen gedaan om de koe van de verkokering bij de horens te vatten. De voorstellen betreffen het functioneren van de rijksdienst, maar ook de politieke aansturing wordt erbij betrokken, de werkwijze van de ministerraad en van de Staten-Generaal. Ik noem bijvoorbeeld de grotere nadruk op resultaatgerichtheid, in de projectgewijze samenwerkingsverbanden tussen departementen maar ook bij de uitwerking van het regeerakkoord, de vorming van interdepartementale task-forces, bijvoorbeeld van wetgevingsjuristen, de algemene bestuursdienst voor beleidsambtenaren, en versterking van de positie van de minister-president. Alles bij elkaar gericht op een duidelijke versterking van de regie van de politiek.

In déze context past ook een andere wijze van inschakeling van adviesraden. Ik ben er voorstander van om adviescommissies veel meer ad hoc in te stellen en daarbij steeds een specifieke, heldere en gerichte opdracht mee te geven. Ook de Staten-Generaal zouden dat moeten kunnen doen. Zou het, om een voorbeeld te noemen, niet de moeite waard zijn om een tijdelijke commissie in te stellen over het samenhangende vraagstuk van vreemdelingenbeleid, immigratie en integratie van minderheden?

Dat geldt ook voor de problematiek die de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) heeft geanalyseerd in het rapport over de vergrijzing. Zo'n vraagstuk leent zich bij uitstek voor een benadering waarbij de minister liefst samen met enkele collega's een commissie instelt met een veelzijdige samenstelling, om beleidsalternatieven te onderzoeken voor wat er tussen nu en het jaar 2010 dient te gebeuren. Zo worden de mogelijkheden van een minister vergroot om een sterke beleidsimpuls te geven op een terrein waarop hij dat zelf noodzakelijk acht.

Zo'n tijdelijke commissie zou bij voorkeur door een minister of een aantal ministers moeten worden ingesteld voor de duur van een kabinetsperiode. Want zo kan de adviesaanvraag, maar ook de samenstelling en de werkwijze van een commissie, worden afgestemd op de beleidsprioriteiten en de specifieke behoeften van een regeerploeg. En tegelijk heeft een nieuw kabinet met nieuwe ministers dan de mogelijkheid om deze prioriteiten bij te stellen, of een andere samenstelling te geven aan een bepaalde adviesraad, of om een andere werkwijze ingang te doen vinden. Flexibel, to the point en waar nodig intersectoraal, al naar gelang de aard van het probleem.

Wat mij aanspreekt in de voorstellen van de commissie-De Jong is de gedachte om de minister-president meer instrumenten te geven om hem in staat te stellen beter dan tot nu toe de eenheid van het regeringsbeleid te bevorderen. Of de gedachte van de instelling van één of meer intersectorale adviesraden bij algemene zaken nu zo'n goed idee is als instrument daarbij, waag ik te betwijfelen. Als men denkt in termen van advies en deskundigheid, dan ligt zo iets als de Central Policy Review Staff, zoals de Britse premier Heath die indertijd heeft ingesteld, meer voor de hand.

Deze hield het kabinet op speciale zittingen een soms pijnlijke en altijd meedogenloze spiegel voor, intellectueel consistent en ondersteund met cijfers en grafieken, over de te verwachten gevolgen van actueel kabinetsbeleid. Een eenheid dus die zich richt op de beoordeling van het beleid op hoofdlijnen en op de vraag of het beleid voldoende aansluit of nog steeds aansluit bij de maatschappelijke ontwikkelingen. Een eenheid die zich onder directe sturing van de minister-president maar ten behoeve van het hele kabinet, richt op de prioriteiten van het regeringsbeleid ter versterking van het primaat van de politiek.

Ik meet de waarde van adviezen en van adviesorganen in de eerste plaats af aan hun kwaliteit, aan hun praktische beleidswaarde en niet aan hun ideologische functie. Dat past bij mijn functie als ambtenaar en ook bij mijn overtuiging. Het wordt bovendien beter mogelijk om dit te doen wanneer men de adviesfunctie loskoppelt van de overlegfunctie die veel adviesraden in feite hebben.

Verhoging van de kwaliteit van de advisering kan niet los worden gezien van de bestuurlijke context in zijn geheel. We staan daarbij voor het dilemma om ofwel de bestaande structuren tot uitgangspunt te nemen en deze enigszins bij te stellen, ofwel de oude praktijken af te zweren en daarvoor iets nieuws in de plaats te stellen. In dat laatste geval kan men ook kritisch kijken naar enkele instituties en adviesraden, waar in bepaalde sectoren traditioneel sterk aan wordt gehecht. Mijn voorstellen gaan uit van deze laatste optie.

Ik pleit voor deregulering op het vlak van de adviesraden, inclusief wijziging of afschaffing van artikel 79 in de grondwet, en voor het meer gebruik maken van ad hoc adviescommissies. Deze zouden door een minister moeten worden ingesteld, met een gerichte opdracht en slechts voor de duur van een kabinetsperiode. Zo'n benadering sluit ook meer aan bij wat in andere landen gebruikelijk is: de status van adviesorganen kan worden bijgesteld afhankelijk van de behoefte en het politieke krachtenveld op een gegeven moment. Ook de beide Kamers zouden deze weg moeten kunnen bewandelen.

Adviesorganen weerspiegelen het functioneren van de democratie. Dat geldt in de Nederlandse situatie ook voor de verkokering die ons stelsel kenmerkt. Dit probleem moet echter niet via de spiegel, of de omweg, van de adviesraden worden aangepakt, maar rechtstreeks door in de eerste plaats de werkwijze van de rijksdienst en de ministerraad te verbeteren.

De instelling van ad hoc adviescommissies kan daarbij helpen, in aanvulling op maatregelen om de verkokering ook langs andere wegen terug te dringen. Ook de instelling van een beleidseenheid onder de minister-president, vergelijkbaar met de Britse Central Policy Review Staff van weleer, is voor Nederland een bruikbaar alternatief.

De modernisering van de overheid kan op deze manier worden ondersteund door een herdefiniëring van de functie en de status van adviesorganen. Dit komt de kwaliteit van de overheid en van het beleid ten goede, Wanneer wij deze grens oversteken hebben wij wellicht een koninkrijk te winnen. Daarbij moeten we het eventuele verlies van enkele kleine stadstaten wellicht voor lief nemen.