Macht over de politie inzet van CAO-acties

Vanmorgen heeft de politie zich bij de actievoerende ambtenaren gevoegd. Net als de vuilnismannen eisen ze “2,5 procent _ en snel”. Toch is dit conflict geen klassieke kwestie van procenten. De positie van de almachtige politievakbonden staat ter discussie.

DEN HAAG, 16 JUNI. De vanmorgen begonnen politie-acties hebben volgens waarnemers vooral betekenis voor de bestuurders van de politievakbonden. Ze gaan om de macht over de Nederlandse politie. De acties werden door de top van de politiebonden bedacht, hoewel het animo bij hun achterban gering is: in plaats van de duizend verwachte agenten waren er in Den Haag hooguit enkele honderden aanwezig.

De syndicalistische cultuur bij de politie, met twee even grote vakbonden (de algemene NPB en de christelijke ACP) die negentig procent van al het politiepersoneel vertegenwoordigen, met bondsbestuurders die om de haverklap naar "de werkgevers' van Binnenlandse Zaken overstappen, maakt een oprechte CAO-strijd ook moeilijk voorstelbaar.

De huidige NPB-voorzitter, J. van Duijn, zat nog maar kort geleden aan de "andere kant': van 1986 tot 1989 werkte hij op de directie Politie van het ministerie, belast met het CAO-overleg. Van Duijn had er geen probleem mee: “Ik was in staat op Binnenlandse Zaken zowel voor mijn minister als voor de bonden goede zaken te doen.” Ook de belangrijkste deskundige van de werkgevers, R. Flanderijn, op de directie Politie van Binnenlandse Zaken belast met "CAO-overleg', verwisselde kortgeleden van stoel. Nog maar een jaar geleden was hij waarnemend voorzitter van de NPB.

Deskundigen kunnen hun scepsis dan ook moeilijk onderdrukken als zij horen van het “hoog oplopende” conflict tussen bonden en Binnenlandse Zaken over de politie-CAO. Ook bij de politie wordt voor het eerst op sectoraal niveau een CAO afgesloten. Op de politievakbonden, met verreweg de hoogste organisatiegraad van alle ambtenarenbonden, rust in de ogen van de eigen bestuurders de zware taak te bewijzen dat ze die hoge ledentallen waar kunnen maken. “Als je nu, bij dit eerste sectorale overleg, genoegen neemt met het "nul-bod' van de werkgevers”, zegt oud-NPB-voorzitter L. van der Linden, “dan is daarmee de trend voor de komende jaren gezet. Dat kunnen we niet pikken.”

Het tekent het dilemma van de politievakbonden. Door hun traditioneel sterke positie, en door hun jarenlange verstrengeling met het ministerie, hebben ze in feite allang het maximaal haalbare voor hun leden binnengehaald, zegt B. Staal, Eerste-Kamerlid (D66) en voormalig politiechef in Almere.

Pag.3: "Goedwillende agent wordt in watten gelegd'

“Je kunt”, zegt het Eerste-Kamerlid B. Staal (D66), “eindeloos discussiëren over de vraag of een politieman in Nederland genoeg verdient. Het is een moeilijk vak. Maar als je het vergelijkt met andere beroepen is de betaling zeker niet slecht. Ze moeten bij mij niet aankomen dat het zo'n gevaarlijk beroep is. De kans dat een bouwvakker van een steiger valt is veel groter dan dat een politieman iets overkomt.”

De acties, die bij de politie vanmorgen op “ludieke” wijze begonnen met een door Van Duijn per schaarlift gebracht bezoek aan minister Dales, gaan formeel over dezelfde 2,5 procent als bij de vuilnismannen en de tramchauffeurs. De werkgevers, in casu het ministerie, bieden ook hier één procent. Het teleurstellend lage aantal actievoerders dat vanochtend in Den Haag aanwezig was, waren door de bonden met bussen opgehaald.

NPB-voorzitter Van Duijn zei vorige week dat uit een rondgang langs zijn 400 kaderleden een “grote actiebereidheid” bleek onder de 40.000 personeelsleden van de politie. Een aselecte steekproef van deze krant bij vijftien korpsen leverde een tegenovergesteld beeld op: in dertien gevallen meldde een kaderlid of een lid van de dienstcommissie dat er in zijn korps weinig of geen belangstelling voor acties bestaat.

In verreweg de meeste gevallen komt dat door de nog lopende reorganisatie bij de politie. De omvorming van rijks- en gemeentepolitie in 25 regiokorpsen en één landelijk korps is op papier weliswaar geregeld, maar de meeste politiemensen weten nog altijd niet op welke (nieuwe) functie ze terechtkomen. “Ik probeer onze leden voor acties te winnen”, zegt P. Feenstra, kaderlid van de christelijke bond ACP in Groningen, “maar het is heel moeilijk. Onze leden weten niet of ze hun huidige baan behouden. Dat vinden ze op dit moment belangrijker dan een procent erbij.”

Zelfs kaderleden van de bonden aarzelen over de zin van acties. “Ik vind het terecht dat we ons niet zomaar bij dit bod neerleggen”, zegt J. Uiterlinden (ACP), secretaris van de regionale dienstcommissie in Tilburg, “maar of ik zelf de barricaden opga? Ik twijfel er ernstig aan.”

Een beginnend agent verdient maandelijks 2.300 gulden bruto. Dat loopt in vijf jaar op naar 3.000 gulden, waarna een automatische bevordering naar een volgende schaal met een maximum van 3.800 gulden volgt - exclusief onregelmatigheidstoeslag en andere secundaire arbeidsvoorwaarden. Volgens Staal hebben de bonden de laatste twintig jaar hun macht vooral uitgebuit door “op het secundaire traject” extreem gunstige arbeidsvoorwaarden af te dwingen. “In een kongsi met het ministerie zijn regelingen getroffen die de effectiviteit van de politie hebben vernield”, zegt hij.

Staal somt in hoog tempo een aantal voorbeelden op. De politieman mag “in de baas zijn tijd” eten. Hij heeft jaarlijks recht op achttien vrije weekends, “waardoor er tegenwoordig op zaterdag en 's nachts meer particuliere beveilingsbeambten werken dan politiemannen”. Hij mag in diensttijd sporten, “waardoor ze in ME-auto's naar het voetbalveld rijden”. Hij heeft recht op voordelige studiefaciliteiten, “waardoor op de Politie Academie tegenwoordig meer agenten zitten dan studenten van het VWO”.

Het komt er in het kort op neer, zegt Staal, dat de “goedwillende” agenten “in de watten” worden gelegd. De "CAO-isering' bij de politie heeft bovendien een belangrijk sociaal effect: “Agenten willen tegenwoordig allemaal een negen-tot-vijf-baan. Je hoort er bij de politie pas bij als je niet meer op straat werkt. Zo hebben de bonden de organisatie verlamd. Maar als je die secundaire voordelen afschaft, kan je alle agenten tien procent meer salaris geven en dan hou je geld over.”

De bonden kapitaliseerden hun machtspositie ook op een andere wijze, stelt Staal. “Toen de medezeggenschap op de universiteiten was mislukt, is hij bij de politie ingevoerd. Als korpschef ben je er met handen en voeten aan gebonden. Je kunt geen stap zetten of je moet eerst in overleg met de dienstcommissie, waarin de bonden het hoogste woord voeren.”

Hoezeer dat systeem van medezeggenschap zichzelf in de staart bijt, blijkt uit een vertrouwelijke studie die vorig jaar bij de politie in Den Haag werd gemaakt. Daarin analyseert onderzoeker J. van Nieuwamerongen, zelf in dienst van het Haagse korps, hoe de bondsvertegenwoordigers in de dienstcommissie verwerden tot vertegenwoordigers van zichzelf, zonder hun positie te legitimeren. Bijna iedere politieman, licht Van Nieuwamerongen toe, wordt op de eerste dag van de politieschool vakbondslid: bij de ondertekening van de verschoningseed treft hij tegelijk een papier aan om zich als bondslid in te schrijven. De contributie wordt vervolgens automatisch op de studietoelage en later op het salaris ingehouden. En wie eenmaal politieman is blijft lid omdat de vakbond gratis rechtsbijstand en steun geeft in geval van een tuchtzaak.

“Politiemensen zijn dus uit een individueel belang lid van een bond”, zegt de onderzoeker. “Maar de bonden claimen het collectief te vertegenwoordigen. Als je dat onderzoekt, blijft er niets van ze over: bondsleden begrijpen de taal van de bestuurders niet. De opkomst bij ledenvergaderingen is huilen met de pet op. Het optreden van de bonden in de dienstcommissie stuit voortdurend op onbegrip.” Het is, volgens Van Nieuwamerongen, een lastig te doorbreken probleem, al komt het voortdurend aan de oppervlakte. “Nu ook weer. Terwijl iedereen bij de politie bezig is met de reorganisatie, hebben de bestuurders van de bonden het over een CAO-conflict van anderhalf procent! Dat is alleen maar een zaak van de bondsbestuurders. Zij moeten hun posities verantwoorden. Degenen die ze zeggen te vertegenwoordigen, zijn intussen met andere zaken bezig.”