Fokker verstevigt banden met Indonesische maatschappijen; Eilandenrijk is zeer geschikt voor lucht- en scheepvaart; Concurrentie op de Indonesische markt neemt toe

JAKARTA, 16 JUNI. Deze week wordt de eerste Fokker-70 overgespoten in rood-wit, de nationale kleuren van Indonesië. Twee maatschappijen uit Insulinde bestelden samen liefst vijftien exemplaren van Fokkers jongste jet. De aankoop illustreert het belang van dit uitgestrekte eilandenrijk als markt voor verkeersvliegtuigen voor de korte en middellange afstand. Fokker heeft hier de laatste dertig jaar al 130 toestellen afgezet en het ziet er naar uit dat de luchtvaartbanden met Indonesië binnenkort verder worden aangehaald.

Op 15 april landde een gloednieuwe F-100 met aan boord een zware Fokker-delegatie onder leiding van Erik Jan Nederkoorn op de luchthaven van Bandung. In de jaren dertig lag hier een klein vliegveldje met enkele hangars van het Koninklijk Nederlands-Indische leger (KNIL), maar in de jaren zeventig verrezen op dezelfde plek de hypermoderne produktiehallen van de Industri Pesawat Terbang Nusantara (IPTN). Dit Indonesische overheidsbedrijf staat onder leiding van minister van onderzoek en technologie B.J. Habibie, een in Duitsland opgeleide luchtvaartingenieur, die sinds 1978 de scepter zwaait over 's lands strategische industrie.

Het gezelschap uit Nederland, versterkt met ambassadeur J.H.R.D. van Rooijen, kwam naar Bandung voor een feestelijke gelegenheid. Nadat een islamitische schriftgeleerde was voorgegaan in een dankgebed - IPTN-baas Habibie is tevens voorzitter van het Indonesische Genootschap van Moslim-Intellectuelen - nam Fokker-topman Nederkoorn de eerste set van 26 onderdelen voor de Fokker-100 in ontvangst die door IPTN zijn vervaardigd. In december 1990 kwam Fokker met IPTN overeen dat het Indonesische bedrijf de komende jaren 280 van deze zogenaamde "shipsets' - elk goed voor enkele procenten van het totale bouwpakket van de Fokker-100 - zal produceren.

Deze beperkte co-produktie is een compensatie-order voor de aanschaf door Indonesische luchtvaartmaatschappijen van twintig Fokker-100 toestellen: zeven voor Sempati Air, die inmiddels vliegen, één voor Pelita Air Services, dat ook al in de lucht is, en twaalf voor het staatsbedrijf Garuda, waarvan de eerste drie eind dit jaar worden opgeleverd. De bestelde componenten worden in Bandung gefabriceerd onder toezicht van Fokker-personeel en vervolgens in Nederland ingebouwd op de produktielijn van de F-100. Met deze compensatie-order zijn enkele tientallen miljoenen guldens gemoeid. Hendrik van den Broecke, de Fokker-vertegenwoordiger in Indonesië, is terughoudend over de bedragen: “Het aantal F-1OO toestellen dat we hier gaan afzetten, staat nog niet vast. Dat kan het hele pakket compensatie-orders gaan benvloeden. Er zou eventueel een uitbreiding kunnen plaatsvinden van het aantal componenten-sets, maar we zouden ook kunnen afspreken dat nog andere onderdelen voor de Fokker-100 in Bandung gemaakt gaan worden. Vergeleken met Fokker is IPTN een piepjong bedrijf met beperkte ervaring. Hoe staat het met de kwaliteit van de geleverde componenten? Van den Broecke: “We hebben kunnen vaststellen dat IPTN standaardkwaliteit maakt en op tijd levert. Zo bezien is het een volwaardige luchtvaartindustrie. Je moet natuurlijk in ogenschouw nemen in welk tijdsgewricht IPTN op de markt wil komen. Veel fabrikanten hebben de laatste jaren het loodje moeten leggen of zijn opgegaan in een groter verband. Het is de bedoeling van de overheid om met IPTN uiteindelijk vliegtuigen te produceren op commerciële basis, maar voorlopig gaat het hun vooral om de kennis. Ook hier wordt de vliegtuigbouw beschouwd als speerpuntindustrie, die een spin-off effect heeft voor andere bedrijfstakken, zoals kunststoffen. Het is verbazingswekkend wat IPTN in korte tijd bereikt heeft. Weliswaar in samenwerking met Boeing en andere bedrijven, maar als je een bezoek brengt aan de IPTN in Bandung, vind je daar een hypermoderne vliegtuigfabriek.”

Over het belang van Indonesië voor Fokker zegt Van den Broecke: “Dit eilandenrijk is geschapen voor lucht- en scheepvaart, dat is één. In de tweede plaats hebben wij hier al een lange historie; ruim dertig jaar geleden leverden we de eerste F-27's af. Daar zijn herhalingsorders op gekomen; toen gingen we de F-28 leveren en ook die werd bijbesteld. En nu de F-100 en F-70. Indonesië is kortom een traditionele markt is en dat helpt mee. Op dit moment is de situatie in de luchtvaart niet zo rooskleurig en ook op de Indonesische markt neemt de concurrentie toe. Maar Fokker heeft nog steeds het vertrouwen van de Indonesische luchtvaart-operators. We hebben bewezen vliegtuigen te maken die het, ook economisch, goed doen in deze archipel.”

IPTN is niet tevens de belangrijkste concurrent in deze omgeving, vindt Van den Broecke. “Maar dat zou het wel kunnen worden. IPTN heeft een duidelijk programma en werkt dat puntsgewijs af. Ze zijn nu aangekomen bij het zelfstandig ontwerpen en fabriceren van een turbo-propeller toestel met vijftig plaatsen, de N 250, die in 1995 zal gaan vliegen. Om die reden is de Indonesische markt gesloten voor de F-50. Voor straaltoestellen als de F-100 en de F-70 ligt hij open.”

Fokker moet realistisch zijn wat betreft Indonesië, meent Van den Broecke. “We zien wat de IPTN aan het ontwikkelen is. Het zal niet blijven bij die turboprop 50-zitters, uiteindelijk wil men zich op straalvliegtuigen gaan werpen. Dan is er maar één manier om een stuk van deze markt te behouden en dat is een samenwerkingsverband met IPTN. Daarover worden nu gesprekken gevoerd en beide bedrijven zien mogeljkheden voor zo'n samenwerking. De leiding van IPTN heeft ons meermalen duidelijk gemaakt dat men veel respect heeft voor de kwaliteiten van Fokker als ontwerp- en marktorganisatie, maar ook als bouwer van vliegtuigen voor de korte en middellange lijn. Fokker participeert nu in een uitwisselingsproject dat APERT heet, een samenwerking van het Nederlands Lucht- en Ruimtevaartlaboratorium en de TU Delft aan Nederlandse en IPTN, de Technische Universiteit Bandung (ITB) en de windtunnel in Serpong aan Indonesische zijde. Einddoel is dat de ITB in Bandung een eigen faculteit krijgt voor lucht- en ruimtevaart. In dit kader lopen studenten van IPTN en ITB een aantal jaren stage bij Fokker. Dat wordt hier zeer op prijs gesteld en hopelijk draagt het bij tot industriële samenwerking. Het is in beider belang dat we dan gelijkwaardige partners zijn.”

Door donororganisaties, niet in de laatste plaats de Wereldbank, is er de laatste tijd nogal wat kritiek geuit op de grote sommen overheidsgeld die Indonesië inzet voor de ontwikkeling van een eigen luchtvaartindustrie. Toch stemt dat Fokker niet somber over de continuiteit van de samenwerking. Van den Broecke: “De IPTN is een realiteit en het heeft weinig zin om te fantaseren wat er zou gebeuren als die er niet zou zijn. Toch zijn er maar weinig bedrijven die op den duur het ontwerpen en lanceren van een nieuw vliegtuigtype zelf kunnen financieren. Ik denk dat ook Indonesië op het punt zal aankomen dat men zegt: we willen deze inspanningen samen met andere fabrikanten verrichten. En dan is Fokker in de markt.”

    • Dirk Vlasblom