FME blijft somber over metalelektro

ZOETERMEER, 16 JUNI. Voor de metaal- en elektrotechnische industrie was 1992 “een zwaar jaar”. Dit jaar blijven de prijzen onder druk, de afzet zwak en zal de werkgelegenheid verder afkalven.

Dit zei voorzitter J.L. van den Akker gisteren bij de presentatie van het jaarverslag van de FME, de vereniging van ondernemingen in de metalektro. Vorig jaar en dit jaar verdwijnen in totaal ongeveer 25.000 banen. Begin vorig jaar telde de sector ongeveer 270.000 arbeidsplaatsen. Maar liefst 160 bedrijven deden vorig jaar een beroep op de FME ter ondersteuning bij reorganisaties.

Van den Akker wijt de slechte gang van zaken vooral aan de ontwikkelingen in Duitsland. Hij betwijfelde of Nederland “de Duitse klap” al helemaal heeft gehad. Duidelijk signalen voor herstel ontbreken. Mede daardoor blijft er in het algemeen sprake van een afwachtende houding, aldus Van den Akker. De investeringen in de bedrijfstak zijn vorig jaar gedaald naar een niveau van ongeveer 4 miljard gulden, terwijl de verwachting aanvankelijk was dat zij zich zouden herstellen tot ongeveer 5 miljard gulden.

De conjuncturele slapte is volgens de FME-voorzitter een extra handicap bij de aanpak van twee structurele zwakke factoren van de Nederlandse metalektro: het relatief lage rendement op het werkzame vermogen en de negatieve kasstroom. Het gemiddelde rendement over het werkzaam vermogen was zelfs in de "vette jaren' (1987-1991) niet hoger dan 8,5 procent. Daarmee scoort de metalektro slechter dan de bouw-, voeding- of chemie-sector, waar de rendementen in die periode ongeveer het dubbele waren. De metalektro komt met genoemd percentage bovendien nauwelijks uit boven de gemiddelde bankrente in die jaren. In de jaren 1987-1991 beliep de negatieve cash flow ongeveer 100 miljoen gulden.

Van den Akker beklemtoonde dat de metalektro de structurele problemen onder andere kan oplossen door versterking van de export buiten de Europese Gemeeenschap. Zuidoost-Azië en Latijns-Amerika zijn gebieden waar marktkansen lijken te liggen. Dat zou in de toekomst ook kunnen gelden voor Oost-Europa. Momenteel zijn daar volgens de FME alleen kansen, wanneer een beroep kan worden gedaan op extra financieringsmogelijkheden. Behalve extra aandacht voor export zal de Nederlandse industrie de internationale concurrentieslag alleen aan kunnen met een verhoogde inspanning op het gebied van onderzoek en ontwikkeling, aldus de FME. Van den Akker noemde de hernieuwde belangstelling voor de industrie en het industriebeleid een “geluk bij een ongeluk”.