De verloochening van een sportverleden

LEIPZIG, 16 JUNI. Sport was in de DDR religie. Dus is het niet meer dan logisch dat voor het Vaticaan van het Oostduitse sportsysteem, die Hochschule für Körperkultur in Leipzig, een neoclassicistisch tempelcomplex werd gebouwd. Voor de ingang in brons twee naakte estafettelopers. Een speerwerper bij de aanloop. Een turnster met bal. Binnen monumentale gangen waarin de 100 meter kan worden gelopen. Marmeren pilaren. Sporthallen als kerken, met gedempt licht en ornamenten. Het perfecte decor voor een Peter Greenaway-film.

In één van de verlaten vleugels - overal gesloten deuren, alle sporen van gebruik zorgvuldig uitgewist - heeft prof. dr. Helmut Kirchgässner nog steeds zijn kamer. Voetstappen klinken er als kanonskogels, dus hij hoort elke gast van verre komen. Dan sleept hij zijn lange, vermoeide gestalte naar de deuropening.

Gevraagd naar zijn visitekaartje geeft hij een stukje bedrukt karton waarop zijn vroegere functie is doorgestreept met viltstift . “In de DDR schreven we onze naam op een bierviltje”, zegt hij schamper. “Dat was in de tijd dat we nog niet berucht waren maar beroemd”, voegt hij er met bitterheid aan toe. “Toen deden we nog gewoon ons werk. Collegiaal en bescheiden. Toen hoefden we ons nog niet te verkopen. Toen hoefden we nog niets aan presentatie te doen.”

Kirchgässner was de laatste rector van de Deutsche Hochschule für Körperkultur, hét opleidingsinstituut voor het topsportkader van Oost-Duitsland. Hij heeft nog meegemaakt dat er 2.000 studenten rondliepen, begeleid door ruim 1.000 medewerkers, van wie 500 wetenschappers en 70 profs. Hij heeft ook de razendsnelle neergang beleefd na de Wende. Hoe eerst de collega's van marxisme-leninisme konden vertrekken. Daarna de collega's die de planning onderwezen van de socialistische lichaamscultuur.

Ze hadden gehoopt dat het daarbij zou blijven. Veel te hard moet hij lachen om zoveel naviteit. Dat de hogeschool kon worden opgeheven, had niemand willen denken. Toch was dat wat er gebeurde. Ondanks een protestdemonstratie in Dresden. Ondanks brandbrieven naar het Duits Olympisch Comité en de Deutsche Sport Bund en het parlement.

De politieke wind had hen tegen gezeten. De stroom van onthullingen over wijdverbreid dopinggebruik in Oost-Duitsland was net op gang gekomen. En in dat doping-netwerk werd aan de Deutsche Hochschule een prominente plaats toegekend. Volstrekt ten onrechte, zegt Kirchgässner, tot in het merg vermoeid. “We hadden niet eens de laboratoriumfaciliteiten voor dopingonderzoek.”

Ja, bij de buren, het Forschungsinstitut für Körperkultur und Sport, daar hadden ze een afdeling voor dopingonderzoek gehad. Maar dat instituut was al in 1969 van de Deutsche Hochschule afgesplitst. Om redenen van geheimhouding natuurlijk. En dat sommige wetenschappers van het Forschungsinstitut ook in dienst waren bij de Hochschule, dat had de hogeschool toch niet automatisch mede-verantwoordelijk voor de dopingpraktijken gemaakt?

Blijkbaar moest de hogeschool kapot. Het Bundesland Sachsen had de financiering kunnen overnemen van Berlijn. Maar de landsregering, die door het CDU werd gedomineerd, had het Oostduitse sportverleden schaamteloos verloochend. Daarna volgde bijna twee jaar van onzekerheid. Van de ene sanering na de andere. Van arbeidscontracten voor zes maanden, het twijfelachtige voorrecht van het achterblijvend personeel.

Al staat het nog niet op het visitekaartje van Kirchgässner, sinds kort is hij decaan van de faculteit voor sportwetenschap. Wat nog rest van de hogeschool, heeft de universiteit ingelijfd. Negentig medewerkers, van wie 45 wetenschappers, 9 profs. Niet meer dan een schim van de hogeschool.

Waarom is Kirchgassner eigenlijk zelf gebleven? In dit mausoleum van de Oostduitse sport? Had hij niet al een goedbetaalde baan in Westduitsland aangeboden gekregen? Zo'n baan die uit politieke overwegingen door een "Ossie' moest worden bezet?

Misschien verbaast het antwoord nog het meest hemzelf. “Omdat ik geen vluchter ben. Ik ben hier in 1960 als student begonnen. Mensen die mij in die tijd nog hebben onderwezen, heb ik de afgelopen jaren moeten ontslaan. Bekwame, betrokken vakmensen voor wier integriteit ik borg durf te staan. Dat is me aan het hart gegaan. Dat heeft me in het vlees gesneden. Ik kan hier toch niet stilletjes verdwijnen.”

Prof. dr. Karl-Heinz Bauersfeld is één van die mensen die vervroegd met pensioen zijn gestuurd. Gerenommeerd trainingsmethodoloog. Auteur van het Oostduitse standaardwerk "Beginselen van de atletiek'. “De meeste collega's zitten verbitterd thuis”, zegt Bauersfeld. “Ze hebben zich afgekeerd van de sport. Ze brengen het niet meer op zich nog in te zetten.”

“Al dat maatschappelijk kapitaal dat zomaar op de storthoop wordt gegooid.” Bauersfeld begrijpt het niet. Waarom laten ze die mensen voor hun maandloon geen onderzoek doen? Mogen ze zich misschien niet nuttig voelen? Moeten ze worden gestraft?

Zelf is hij aan de verbittering ontkomen door zich op te werpen als president van de sportclub DHfK, de sportclub van de vroegere hogeschool. “Sommige collega's zeggen wel dat ik gek ben. Maar ik hou nu eenmaal van de sport. Als ik zoals zij zou leven, zou ik biologisch zeker tien jaar ouder zijn.”

Het succesvolle Oostduitse sportsysteem is dood, morsdood, weet Bauersfeld. Daar kun je over treuren tot je zelf morsdood bent, innerlijk. Maar je kunt ook proberen een nieuw systeem te bouwen. Ondanks alles. Tegen de verdrukking in.

Trots laat hij op kousevoeten het nieuwe fitnesscentrum zien in het oude clubgebouw. Dat brengt geld in het laatje. En dat geld kan voor de topsport worden gebruikt. Daarom heeft de vroegere eliteclub zich ook ruimhartig gestort op recreanten. En op gehandicaptensporters. Want hoe groter het gezelschap - inmiddels al 3.000 leden, dat moeten er 5.000 worden - hoe groter het draagvlak voor de toppers van de sport.

Zoals het vroeger was, wordt het nooit meer. Zeshonderd leden, van wie 200 man in loondienst, van wie 100 trainer. Tegenwoordig kan de club zich nog maar drie betaalde trainers permitteren. Plus de twaalf trainers die in het kader van werkverschaffende maatregelen bij de vereniging betrokken zijn.

Wat hebben ze de sporters eigenlijk nog te bieden? Kun je het die jongens kwalijk nemen dat ze naar het westen gaan als ze daar 5.000 mark per maand kunnen verdienen? “Nee”, zegt Bauersfeld, “maar een beetje in de steek gelaten voelen we ons wel. Zo worden we de kweekvijver voor de sport in het westen. Daar leggen we ons niet bij neer.”

“Waarom werd er eigenlijk zo geschamperd over onze staatsamateurs”, vraagt Bauersfeld zich af. “Maakt het uit of een sporter door de staat of een sponsor wordt betaald? Is dat het westerse criterium voor vrijheid? Een vreemd criterium.”