De kroongetuige

VOORBIJ ZIJN ZE, de openbare verhoren van de parlementaire enquêtecommissie die de uitvoering van de sociale zekerheid onderzoekt.

Nu het volk zijn spelen heeft gehad, begint voor de commissie-Buurmeijer het echte werk: het schrijven van de conclusies. Afgaande op de vragen tijdens de verhoren, of juist het achterwege blijven daarvan, is de teneur van het rapport dat in september zal worden uitgebracht voorspelbaar. Dat er vraagtekens zullen worden geplaatst bij de rol van de sociale partners en de door hen beheerde uitvoeringsorganisaties ligt voor de hand. Een enkel kritisch woord aan het adres van de politiek zit er ook nog wel in. Maar bestonden die reserves niet al toen met de enquête werd begonnen? De 45 openbare verhoren hebben het bestaande beeld bevestigd.

De opeenvolgende enquêtes hebben laten zien hoe met behulp van nieuwe inzichten soms schuldbewust maar vooral kritisch naar het verleden werd gekeken. De RSV-enquête toonde hoe miljarden guldens overheidssteun zonder noemenswaardig resultaat in de noodlijdende scheepsbouw waren gestopt, de bouwenquête onthulde de rigiditeit van de financieringsstromen in de volkshuisvesting. Maar de praktijk kon zo worden beschreven omdat de politiek er al afstand van had genomen.

Hetzelfde gaat op voor de jongste enquête. Niemand kan anno 1993 werkelijk verrast zijn door de mededeling van een van de getuigen dat bij de uitvoeringsorganisaties een "weggeef-cultuur' bestond. Maar voor verbetering van de gang van zaken leverden de getuigenissen wel degelijk bruikbaar materiaal op. Of de commissie met een eensluidend advies zal komen is overigens de vraag. Bij de herinrichting van het sociale zekerheidsstelsel gaat het om fundamentele politieke keuzes. Die kunnen nauwelijks van een Kamerbreed gezelschap worden verwacht.

DE AMBTENAAR, de bestuurder van de uitvoeringsorganisatie, de politicus, de ex-politicus, de vakbondsman, de werkgeversvertegenwoordiger, stuk voor stuk zijn ze de afgelopen vier weken langs getrokken. Ze vormden een goede dwarsdoorsnede van overlegland. Hetzelfde gold voor hun verhalen die naadloos aansloten bij het belang dat zij vertegenwoordigden.

De commissie had anderzijds het algemeen belang niet vergeten. De politiek zat niet alleen achter de tafel, maar ook ervoor. De ex-minister van sociale zaken, de ex-staatssecretaris van hetzelfde departement, de Kamerleden die zich met de materie hadden beziggehouden, ook zij werden gehoord. Dociel waren ze geweest, jazeker, zo gaven ze toe, maar, aldus het direct erop volgende verweer, was dat niet de maatschappelijke realiteit? Dan moet de conclusie toch zijn dat het no-nonsensebeleid dat ruim tien jaar geleden werd afgekondigd, blijkbaar die cultuur niet heeft willen doorbreken.

EN ZO KOMEN WE bij de constante factor in de onderzochte periode, ofwel minister-president Lubbers. Hij is niet gehoord. Waarom eigenlijk niet? Lubbers zette als kabinets-informateur dan wel formateur de toon van de regeerakkoorden, Lubbers stuurde als voorzitter van de ministerraad de discussie, Lubbers dacht mee met zijn ministers over de "problematiek', Lubbers zette de "dossiers' op de agenda, Lubbers was er altijd bij als met de sociale partners moest worden overlegd, Lubbers trok als partijleider met de politieke boodschap door het land, Lubbers was het die Nederland ziek verklaarde, Lubbers was het die zijn politieke toekomst verbond aan het overschrijden van de grens van één miljoen arbeidsongeschikten - en blijkt toch niet interessant genoeg om te worden gehoord.

Natuurlijk, het is een enquête naar de uitvoering, dus strikt genomen zou een verhoor van Lubbers buiten de orde zijn. Aan de andere kant is het politieke besluitvormingsproces zo vaak ter sprake gebracht dat een getuigenis van de premier zeker niet zou hebben misstaan. Want het blijft vreemd. De eerste politicus van het land, overal nauw bij betrokken, maar bij het beslissende onderzoek niet aanspreekbaar.