Regievondsten hinderen het meeslepend spel in Hamlet

Voorstelling: Hamlet van W. Shakespeare door Het Zuidelijk Toneel. Vertaling: Bert Voeten. Regie: Ivo Van Hove. Decor: Jan Versweijveld. Spel: Bart Slegers, Henk van Ulsen, Willem Nijholt, Viviane de Muynck, Loes Wouterson. Gezien: 12/6, Bourlaschouwburg, Antwerpen. Nog te zien: aldaar t/m 19/6, vanaf 4/9 in Nederland.

Ivo van Hove, artistiek leider van Het Zuidelijk Toneel, is geen terughoudend regisseur. Zijn spelers moeten wat inschikken op het toneel, want behalve in de regie van hun spel is Van Hove aanwezig in illustratieve beelden, in belichting en in geluid. Wat het laatste betreft heeft hij een eigen traditie gevestigd, rechtstreeks ontleend aan de film maar in het theater ongebruikelijk. Om onduidelijke redenen ongebruikelijk, want in zijn ensceneringen van repertoirestukken bewijst Van Hove telkens weer dat het gebruik van muziek en geluid zeer effectief kan zijn. In zijn versie van Shakespeares Hamlet, die in Antwerpen, de culturele hoofdstad van Europa, in première ging, onderstreept dreigend gerommel meteen in de eerste scène al dat het spookt op kasteel Elseneur.

Dat kasteel is in de ogen van Van Hoves vaste decorontwerper Jan Versweyveld een opsplitsbare kubus, waarvan de samenstellende delen bij iedere scènewisseling uit- of juist weer tegen elkaar schuiven. Het is een smaakvolle en praktische manier om de handeling naar nieuwe lokaties te verplaatsen en in combinatie met de belichting die moduleert tussen helwit en goudgeel ontstaan voortdurend oogstrelende beelden. In de doodgraversscène doen twee kubusdelen dienst als graf, als de verdronken Ophelia in de engte ertussen naar beneden wordt getakeld. De scène illustreert het gevaar van de altijd verrassende en vindingrijke toneelbeelden van Versweyveld - inmiddels nog zo'n eigen traditie van Het Zuidelijk Toneel - want er zit een geforceerde kant aan dergelijk multifunctioneel decorgebruik.

Maar dit Elseneur is toch vooral schitterend en afwisselend en tegelijkertijd neutraal genoeg om de toeschouwer zicht te bieden op waar het om gaat. En dat is de strijd van een jonge man die door het lot gedwongen wordt te kiezen, vóór de nagedachtenis van zijn vermoorde vader, tégen zijn deel van het complot uitmakende moeder. En tegen uiteraard zijn oom met wie zijn moeder, nog geen twee maanden weduwe, huwde, hem aldus tot nieuwe koning van Denemarken kronend.

In deze driehoek, tussen Hamlet, Gertrude en Claudius spelen de scènes waarbij ik, ondanks de regievondsten van Van Hove, het gevoel krijg dat er maatgevend toneel wordt gepresenteerd. Het zijn de momenten waarop de toeschouwer zich niet langer bewust is van dat fraaie decor, van de almaar verder uitstulpende kantelen en van het opzettelijk anachronistische elektrowagentje waar het toneelgroepje dat de moord op Hamlets vader moet reconstrueren mee is toegerust. Op die momenten is de blik blind voor de foeilelijke jurk van misschien wel stretchflanel waarin Versweyveld de arme Viviane de Muynck als Gertrude gehuld laat gaan. Op die momenten krijgt Hamlets "onmanlijke' verdriet meeslepend en lyrisch gestalte.

Een voorbeeld, hét voorbeeld, is de scène waarin Hamlet zijn moeder vlak na de moord op Polonius verwijt te leven "in 't geile zweet van een vettig bed' en te paren "als in een varkenskot'. De twijfel van Hamlet, gespeeld door Bart Slegers, uit zich in bijna incestueuze hartstocht: hij trekt schuimbekkende rondjes op het toneel, onder de ogen van de vrouw die hij verafschuwt maar die hij de volgende minuut liefkoost als was zij zijn minnares. Slegers en De Muynck, altijd al bezienswaardig, stijgen in dit treffen vol bittere verwijten en halfslachtige bezweringen, boven zichzelf uit. Hetzelfde geldt voor Willem Nijholt, als Hamlets oom Claudius. In zijn grote scène met Hamlet toont hij op subtiele wijze niet zozeer berouw voor zijn misdaad als wel spijt om het feit dat hij betrapt is. Spijt om het geluk, dat hij, "hoe het ook wenkt', niet kan smaken.

Dit zijn de hoogtepunten van een desondanks niet geslaagde Hamlet-enscenering: juist omdat het superieure spel tijdens deze scènes zo'n schril contrast vormt met de vondsten van de zo aanwezige regisseur. Het toneelstukje dat Hamlet laat opvoeren presenteert Van Hove als een funky horror-show, kitscherig, met figuranten die groteske masturbatiegebaren maken. Schrappen zou ik zeggen, alleen al met haar pink is Viviane de Muynck in staat een heel wat aangrijpender illusie omtrent geil zweet te wekken. Als Hamlet gaat over de strijd tussen ratio en emotie, dan gaat deze Hamlet over die tussen ernst en leukigheid.

Hoe kan Van Hove bij voorbeeld zo zijn eigen ruiten ingooien als in de laatste scène? Hij laat de dood rondwaren in de vorm van een paar geraamtes, waarvan er één, als een meisje in het gras gezellig op de buik gelegen, de wacht houdt bij de dode Ophelia. Die laat hij net als de even later bezweken Gertrude door de titelheld wakker kussen en zich omdraaien in hun graf, waarna ook Hamlet met een laconiek schouderophalen het tijdelijke voor het eeuwige verwisselt. Dat tijdelijke bestond in dit geval uit vier uur lang zorgvuldig illusies wekken en belangwekkend toneelspelen - dat die ene seconde, pats, boem, voor niets blijkt te zijn geweest. Dames en heren, zegt Van Hove, dit was een fopspeen. Hartelijk dank voor uw aandacht. Het is onbegrijpelijk en onrechtvaardig, jegens alle betrokkenen, niet in de laatste plaats jegens zichzelf. De voorstelling zelf bewijst op veel momenten dat Van Hove ruimschoots buiten deze grappen kan.