Oostenrijk en zijn taalgrenzen

Sissi en ander ongerief, Uitgeverij Balans, Amsterdam, 1993, 193 blz.

Kort nadat ik in 1975 uit Wenen naar Nederland was verhuisd, kwam mijn toen 14 jaar oude dochter op een middag verontwaardigd en geschokt van het gymnasium thuis. De leraar Duits had haar met een onvoldoende gedreigd (ook al was ze Duits-talig opgegroeid) omdat haar uitspraak en woordkeus "Oostenrijks dialekt' waren en niet, zoals hij vond dat het hoorde: "Duits'. ''Ik ben toch zeker een Oostenrijkse en geen Duitse'' riep ze, en alleen een ernstig gesprek van haar moeder met de rector kon escalatie van het conflict voorkomen.

Oostenrijk mag het, na alle staatkundige rampen van deze eeuw, moeiijk hebben met zijn nationale identiteit, maar dat de eigen taal, het Oostenrijks, een integrerend bestanddeel van zijn identiteitsgevoel vormt, is voor geen Oostenrijker - een handvol nazi's uitgezonderd - aan twijfel onderhevig. Ook al is de grammatica Hoogduits, de toonval, de zinsbouw, de gevoelswaarde van onder- en boventonen, al die imponderabilia die van een syntactische structuur pas een echte, levende omgangstaal maken, zijn verschillend. Iedere Oostenrijker hoort al bij een korte begroeting of hij een Duitser voor zich heeft of een landgenoot. Films, tv-programma's en toespraken zijn voor kenners onmiddellijk als Duits of als Oostenrijks te herkennen.

Het incident met mijn dochter, die toch heus niet nationalistisch was opgevoed maar zich door een begriploze Nederlander instinctief in haar identiteit aangetast voelde, kwam weer bij me op toen ik het zojuist verschenen Sissi en ander ongerief* van André Spoor las. Het boek gaat over Oostenrijk, zijn cultuur en zijn geschiedenis, over datgene kortom waarmee het ene land zich van het andere onderscheidt. De Oostenrijkse identiteit bestaat, maar een eigen taal hebben ze daar niet, zegt Spoor in de beschouwing waarmee hij deze bundel van artikelen, die eerder in NRC Handelsblad zijn verschenen, afsluit.

Het boek bevat portretten van 14 bekende schrijvers en kunstenaars die sinds de eeuwwisseling het gezicht van Oostenrijk mede hebben bepaald. Het zijn rake, genuanceerde schetsen, die met elkaar een goed beeld geven van Oostenrijks worsteling om als natie te overleven, terwijl het als staat van Keizerrijk via Hitlers Ostmark tot derderangs Alpenrepubliekje moest inkrimpen. Een stuk cultuurgeschiedenis zoals dat in zijn dramatiek, maar ook in zijn onverwoestbare creativiteit, in het Europa van onze eeuw verder nergens is vertoond, Rusland niet uitgezonderd.

De historische lijdensweg heeft van de Oostenrijkers gekwelde en innerlijk verscheurde mensen gemaakt, vol boosaardigheid en haat-liefde-obsessies, hoe elegant ze die doorgaans ook weten te verpakken. Spoor spreekt van een kloof tussen historische verkalking en radikale, niet zelden destructieve vernieuwingsdrift, waardoor het cultuurlandschap in tweeën wordt gespleten. In deze onopgeloste tegenstrijdigheid ziet hij de sleutel tot het Oostenrijkse volkskarakter, al gelooft hij, met recht, dat de geleidelijke terugkeer tot het oude humanistische gedachtengoed genezend zal werken.

Het is leerrijk en soms amusant om onze Weense correspondent te volgen op zijn ontdekkingstocht, die hij met de van hem bekende eruditie en grondige voorbereiding heeft ondernomen. De bundel past mooi in de prestigieuze serie van uitgeverij Balans, waarin verder namen voorkomen als Johan Polak, Jan Leijten en Richard von Weizsäcker. Toch mag ik auteur en lezers toewensen dat hij deze uitgave ooit nog eens zal completeren met een analyse van die grote schat aan lingustische karakteristieken, waarmee de Oostenrijkse taal zich van het Duits onderscheidt.

Die Grenzen meiner Sprache sind die Grenzen meiner Welt, heeft de Oostenrijkse filosoof Wittgenstein eens gezegd en het was duidelijk welke wereld hij daarmee bedoelde - Oostenrijk als erfgenaam van de Habsburg-monarchie, waar in alle koffiehuizen van Krakau en Lvov tot aan Triëst de koffie op negen verschillende manieren werd geserveerd en de KuK-officieren hun manschappen in negen verschillende talen moesten kunnen bevelen. Het Duitse Duits, met zijn humorloze scherpte, zijn fricatieven en gutturale klanken hoorde daar niet bij.

De Slavische invloeden, ook nu nog overal in het dagelijkse leven zo voelbaar, hebben van het Oostenrijks een zangerige, weke taal gemaakt, nadat het tijdens de contrareformatie al was gezuiverd van het Duits-protestantse pathos. De woordenschat toont enerzijds sporen van Italiaans, dankzij opera en toneel uit de tijd van de barok, anderzijds van het Frans, dat in de Keizerstad lang als hoftaal werd gesproken. En dan is er natuurlijk het Jiddisch, waaraan het Oostenrijks zijn kleurwisselingen en veelgelaagdheid heeft te danken. Alleen voor een gelernter Osterreicher is deze taal tot in zijn diepste spelonken toegankelijk, dat wil zeggen alleen voor iemand die de mensen goed genoeg kent om hun neurotische sensibiliteit en zintuiglijke verfijning te delen.

Oostenrijk is een smeltkroes, in tegenstelling tot Duitsland dat alleen maar Duits is en ook nooit iets anders is geweest. De Oostenrijkers leven, veel meer dan hun noorderburen, van hun taal en in hun taal. Het gesprek in salons en koffiehuizen wordt er niet als tijdverdrijf opgevat, maar als kunst. Wanneer er één volk is waarvan de identiteit ook, vooral, door de taal wordt bepaald, dan is 't het Oostenrijkse volk. Nog een paar jaar, dan is ook André Spoor zo'n gelenrter Österreicher. Daar heb je 't al: een gelernter Deutsche bestaat niet.