Olympisch stadion is ook geschiedenis

Aangezien ik mijn werkzaam leven heb doorgebracht in dienst van de Amstel en Heineken Brouwerij, is het niet verwonderlijk, dat men in mij een “vrij zwevende geest” meende te mogen aantreffen.

Hoe vrij mijn geest echter ook zweeft, enkele zekerheden zijn mij in het leven toch geworden. Een daarvan is de overtuiging, dat degene, die niet over een gemiddelde goede historische kennis beschikt naar de wereld kijkt als een groene hagedis naar het onweer! Je loopt dan toch immers een serieuze kans om op cruciale momenten door dat gebrek aan kennis verkeerde beslissingen te nemen.

Als je een grote belangstelling voor geschiedenis hebt dan ervaar je dat het vak oneindig breed van opzet is en dat je onwillekeurig de drang in je krijgt er steeds meer van te willen weten. Je ontdekt de verbanden tussen het verleden en het heden, je begrijpt vaak beter waarom mensen handelen zoals zij doen.

Op de lagere school en de HBS werd in mijn jeugd als hoofdmoot de vaderlandse geschiedenis onderwezen en het kon toch ook haast niet anders dan dat de "Tachtigjarige Oorlog' werd behandeld. Je leerde namen en jaartallen en de uitgangspunten van het handelen van de mannen om wie het ging, Philips II van Spanje en Willem van Oranje. Je leerde, dat wij als Hollanders munitie verkochten aan onze Spaanse vijanden.

Je vond dat slecht, je hoorde van de gedreven strengheid van Philips II in zijn geloofsbeleving van het rooms-katholieke geloof en van de tolerantie belichaamd in Willem van Oranje.

Je leerde het Wilhelmus en de essentie van ons volkslied werd aan je uitgelegd.

Het signaal "verdraagzaamheid' speelde in dat specifieke conflict in de Tachtigjarige Oorlog tussen die twee machten geen rol omdat de standpunten van partijen diametraal tegenover elkaar stonden. Ik heb later, eigenlijk pas in de Tweede Wereldoorlog, dat stuk geschiedenis van de zeven verenigde provinciën versus Spanje veel beter begrepen.

Wij leefden (1940-1945) toen toch immers in de sfeer van de absolute onverdraagzaamheid.

In de periode vlak voor de Tweede Wereldoorlog studeerde ik in Rotterdam economie, en los van het feit dat ik geen enkel examen deed, had ik een grote belangstelling voor de theorieën van Adam Smith zoals vastgelegd in zijn boek "An Enquiry into the Nature and Causes of the Wealth of Nations', gedrukt in 1776 en immer in herdruk en in veel vakliteratuur tot op heden geciteerd. Zijn hoofdgedachte, die erop neerkomt dat als je mensen vrijlaat een ieder uit welbegrepen eigen belang en naar zijn vermogen ongetwijfeld de beste kwaliteit goederen zal produceren op de meest economische wijze, sprak mij bijzonder aan.

Het lijkt zo simpel, maar juist omdat de redenatie zo kort en krachtig is heeft het lezen van deze economische theorieën, en dus de geschiedenis van die tijd weergegeven in dit boek, mij althans aangezet om te streven naar de meest simpele oplossing op produktiegebied voor zover ik daar de hand in kon hebben.

De grote verscheidenheid van onderwerpen die in het boek zijn behandeld en met name zijn gedachten over de loonkostenontwikkeling hebben mij veelvuldig beziggehouden, vooral de vraag: wat is rechtvaardig?

In de lange reeks van jaren waarin ik werkte voor zoveel ondernemingen als commissaris en als bestuurder van instellingen, los van mijn directe werkgever, zag ik vooral op het gebied van de arbeidsverhoudingen een aantal beperkingen. Toen ik gepensioneerd werd, ben ik in de studie geschiedenis gedoken aan de Universiteit van Amsterdam, waar ik eigenlijk kreeg wat ik wilde via de mogelijkheid van het kopen van modules, namelijk meer inzicht in de eeuwenlange ontwikkeling en verandering in de sociaal politieke verhoudingen, evenals veel meer inzicht in de complexiteit, met name naar aanleiding van het boek van Abram de Swaan "Zorg en de Staat'.

Het boek behandelt een ontwikkelingsfase in de geschiedenis der mensheid in Europa en de VS in een nieuwe tijd en meer specifiek over de onderdelen welzijn, onderwijs en gezondheidszorg van de middeleeuwen tot heden.

Eén van de conclusies die je er uit moet trekken is dat als je ervan uitgaat dat Europa groeit naar eenwording, dat dan dit geschiedenisonderricht je een aantal impulsen geeft om goed over na te denken, met name over de unificatie op taalgebied en de verschijnselen van steeds verdergaande industrialisatie en urbanisatie, en het feit dat er ook aan expansie een grens is met betrekking tot de verzorgingsstaat!

Een sterk beschreven stuk geschiedenis en grondige kennis van dit boek zou met name voor veel leidinggevenden van belang en nut kunnen zijn.

Wie ooit in de gelegenheid is om in Frankrijk de plaats Bourg en Bresse te bezoeken moet naar het Musée de Brou gaan om op heel duidelijke wijze kennis te nemen van de werkelijk uiterst belangwekkende achtergrond van het leven van Margaretha van Oostenrijk.

Een stuk geschiedenis waardoor je beter begrijpt hoe een land in elkaar zit dat een dergelijke cultuur rondom deze hoogst energieke en begaafde vrouw heeft geproduceerd en de eerbied en zorg waarmee dit alles bewaard wordt.

Ten slotte heb ik besloten om van de gelegenheid gebruik te maken om in september aanstaande colleges te gaan lopen over het onderwerp Vakbondsgeschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam. Als je altijd aan deze kant van de tafel hebt gezeten, is het goed de andere kant ook te leren kennen uit zijn oorsprong.

Bij de dreigende aantasting van het geschiedenisonderwijs gaat het er niet zozeer om, dat we de toekomstige generatie wat kennis onthouden, maar dat we bezig zijn de wereld complexer en steeds minder bevattelijk te maken. En dat in een periode, die de meest schokkende veranderingen laat zien. En overigens ben ik van mening dat het Olympisch Stadion in Amsterdam behouden moet blijven. Want ook dat bouwwerk is een stuk geschiedenis voortkomend uit de Olympische gedachten.