Martelen is martelen

DE REUSACHTIGE Wereldconferentie voor de Mensenrechten die gisteren in Wenen is begonnen, wordt gekenmerkt door oude schermutselingen en nieuwe verhoudingen. Vertrouwd is het mega-karakter van de bijeenkomst, waarop de Verenigde Naties weliswaar niet exclusief patent hebben, maar dat aan de ernst van de zaak afbreuk kan doen. Teveel publicitaire kermis schrikt af, ook al moet het onderwerp "mensenrechten' het veelal van de publiciteit hebben. Te veel werkverschaffing voor diplomaten, die aan de tekstuele façades van de onenigheid moeten schaven, maakt een waarnemer al gauw cynisch.

De oude schermutselingen tussen arme en rijke landen keren terug. Arme landen met veelal behoorlijk welgestelde machthebbers eisen voorrang voor sociaal-economische mensenrechten en niet-inmenging in binnenlandse aangelegenheden. Ontwikkelingsgelden dienen daarentegen te blijven toestromen, omdat deze dringend worden gewenst. Het komt er grofweg op neer dat rust, orde en macht dan worden afgedwongen zonder veel belangstelling voor de menselijke waarde, zoals vervat in de VN-declaratie voor de Rechten van de Mens. Het jargon is ontdaan van de vulgair-marxistische bombast uit de jaren zeventig over uitbuiting en neo-imperialisme, maar het is verder vertrouwd, het klassieke spelletje van de botsing tussen politieke en sociaal-economische rechten.

NIEUW IS daarentegen dat de meeste rijke landen wat minder gevoelig zijn geworden voor dit type chantage met de armoe. De wereld is niet alleen in ideologisch opzicht veranderd, ook de internationale economie is evident een nieuwe factor geworden. Derde-wereldlanden kunnen met lage lonen meer en meer deelnemen aan die economie en interne vrijheid maakt de uitgangspositie voor die landen juist beter. Ontwikkelingshulp speelt amper een rol in dit proces.

Nieuw is echter bovenal de nieuwe assertiviteit van de Aziatische landen, die zich onder leiding van landen als China, Indonesië en India ronduit beroepen op de eigen, niet-westerse cultuur en collectiviteit teneinde de mensenrechten op afstand te houden. Normen voor gerechtigheid dienen te worden aangepast aan “regionale bijzonderheden en uiteenlopende historische, culturele en religieuze achtergronden”, zo heet het in een verklaring van veertig Aziatische landen. Het klinkt minzaam en met enige ambachtelijkheid kunnen diplomaten er nog wel een adjectief afhalen, maar in wezen komt het er op neer dat de Aziatische landen zich niet met de westerse interpretatie van mensenrechten wensen in te laten.

Het Westen reikt inmiddels van San Francisco tot Vladivostok en de oude stoorzender van het Oostblok is weg. Des te belangrijker moet het voor het Westen zijn zich na alle communistische vergoelijkingen niet nog eens in relativiteits-experimenten te begeven. Martelen is martelen en het deugt niet, in wat voor culturele of sociaal-economische sfeer zich zoiets ook afspeelt. Het is voor het Westen niet arrogant vast te stellen dat deze waarden universeel zijn en alom dienen te gelden.

ZOIETS LAAT onverlet dat er een hele reeks misstanden ook in het Westen valt aan te wijzen. Diverse Aziatische landen ontwaren hier verloedering en verval, wijzen op schrijnende drugsverslaving en getto-terreur in Westerse steden. Het is het goed recht van iedereen om alles ter sprake te brengen op een conferentie over de mensenrechten. Op voorwaarde dat het Westen niet marchandeert als het gaat om een pakket dat één geheel vormt, namelijk vrijheid van meningsuiting, van godsdienst, vrijwaring van juridische willekeur en het recht van ieder individu educatieve en sociaal-economische kansen te krijgen.