Marsepein voor het oog De Revisor 1993/2. ...

Marsepein voor het oog De Revisor 1993/2. Querido, 96 blz.ƒ17,50

Verboden in Vietnam Grand Street 45. 228 blz.$10. P.O.Box 3000, Denville NJ 07834

Sheepboy en schapen De Tweede Ronde, Australië-nummer. Van Oorschot, 184 blz. ƒ17,50

Marsepein voor het oog

Twee voorpublikaties voor fans in De Revisor: van Thomas Rosenboom en Willem Brakman. Van Rosenboom werd lang niets meer gehoord, sinds De mensen thuis (1983) en het minder succesvolle Vriend van verdienste van even daarna. Maar zijn precieuze en vaak archasche taalgebruik is nog steeds onmiddellijk herkenbaar. “Terwijl hij voor langs Bergsma naar de negerjongen bleef staren wankelde hij op brieke benen voort.” (Als vierde betekenis van "briek' geeft Van Dale "raar, krom scheef'). De merkwaardige gebeurtenissen in dit fragment, dat speelt in 1747, zijn hier niet steeds even goed te volgen, maar ze prikkelen wel de nieuwsgierigheid. “"Ach ja, zo'n jonge boezem,' verzuchtte Bergsma op weemoedige toon, "marsepein voor het oog, maar intussen toch stevig en dral in de hand... Kijkt U maar, aan de vorm kun je het zien...'. Dat spleetje, die clivage, die fissure, die fente... een universum, volkomen onbevattelijk...”

Brakmanliefhebbers kunnen in dit nummer genieten van een passie van een eenogige man voor de Dikke Dame uit een circus - “hij zag dat haar huid zacht was en glanzend, violet cadavreus, op sommige plaatsen onverhuld paars, in sommige plooien zwart en op die korte afstand kon de geur van zweetvoeten niet worden verwaarloosd”.

Het proza van Marc Kregting, over een eenzame man op een Grieks vakantie-eiland, is duf en tobberig, een kleine beloning voor de volhardende lezer blijft uit. De andere verhalen in dit nummer zijn van niet-Nederlandse auteurs; Lothar Baier, Edoardi Albinati, en Giovanni Verga. Volgens vertaler Paul Beers formuleert Baier in Jahresfrist “op superieure wijze het hedendaagse besef van te zijn doodgelopen, niet alleen geen hoop meer te hebben, maar zelfs de "Wunsch nach Hoffnung' te moeten opgeven. Het gaat erom "het uit te houden met een blik die bij het eerste kijken al op de laatste teleurstelling vooruitloopt'.” Beers veelbelovende inleidende woorden worden door Baier volmaakt waargemaakt. Baiers "ik' is extreem eenzaam in een zelfgekozen isolement, en gaat in gesprek met de communist Paul Nizan (1905-1940) - “In onze ogen zijn de rode anjers al verwelkt, nog voor ze in de geweerlopen worden gestoken. (-) Afgunstig ben ik vooral op jullie hoopvolle angst voor de dood. De doodsangst die ons rest, is alleen de angst voor de ellende van het creperen.”

De Revisor 1993/2. Querido, 96 blz.ƒ17,50

Verboden in Vietnam

Het Amerikaanse kwartaaltijdschrift Grand Street legde de hand op 27 brieven aan en van John Cage (1912-1992). De componist, die gewoon in de telefoongids te vinden was, beantwoordde elke brief. Onbekenden wilden meestal vooral uitleg hebben. In 1968: “I think my activity in the arts is analogous to political activity. My activity is not necessary to the change of society. Though I think it is helpful.” In 1973: “As far as music goes, I for one no longer need it: I find it all around me.” In 1981: “By means of art we change our minds, but not sufficiently large numbers of people are concerned with art. Art is essentially optimistic but optimism is nearly out of place.”

De anti-communistische Vietnamese schrijfster Duong Thu Huong opent Grand Street met een fors fragment uit haar Novel Without a Name. Deze roman, waarin de officiële verheerlijking van de oorlog tegen Amerika bekritiseerd wordt is in Vietnam verboden. Huong deed aan die oorlog mee als "zingende soldaat' in een communistische jeugdbrigade. Niet zo vaak krijgen we de kans de Vietnamoorlog te bekijken vanaf de andere kant. De afgrijselijkheden komen bekend voor - het fragment begint met de vondst van zes rottende meisjeslijken, verkracht en aan stukken gesneden - maar de volkomen van de Amerikaanse afwijkende achtergrond van de soldaten maken dit oorlogsproza heel speciaal. Huong schrijft sober registrerend ("So this is how graceful, girlish bodies rotted, decomposing into swollen old corpses, puffy as dead toads') en bewaart haar grootste verontwaardiging voor de ideologie die aan alle verschrikkingen ten grondslag lag. Bij Morrow verscheen vorige maand haar roman Paradise of the Blind, die zich afspeelt in het naoorlogse Vietnam en Moskou; op de rest van de indrukwekkende Novel Without a Name moeten we helaas nog maanden wachten.

Grand Street 45. 228 blz.$10. P.O.Box 3000, Denville NJ 07834

Sheepboy en schapen

Het is altijd interessant om te zien met welke "premies' periodieken nieuwe abonnees trachten te lokken. Zou een pen of een handdoek de doorslag geven bij het kiezen van een lijfblad? Of een boek? Literaire tijdschriften zijn doorgaans behoorlijk krenterig met hun "welkompremies' - wat dat betreft kun je beter een bankrekening openen. Aankomende abonnees van De Tweede Ronde ontvangen sinds de overgang van Bert Bakker naar Van Oorschot als geschenk geen aankomende ramsj-uitgaven van Bert Bakker meer maar boeken waar zijn opvolger goed in zit - vanuit een griezelige, bewonderenswaardige traditie doet Van Oorschot immers niet mee aan opruimingen of ramsj. Eén abonnement op De Tweede Ronde is nu goed voor een van vier poëziebundels van Majakovski (zijn Verzamelde Gedichten kwamen net uit), maar tien aangebrachte abonnees leveren zomaar zeven delen Tsjechov of een andere Rus op.

Het lentenummer van DTR besteedt met 85 bladzijden extra aandacht aan de Australische literatuur, waarbij door gastredacteur Elizabeth Meijer-Mollison wordt opgemerkt dat in Australië 140 voormalige nationaliteiten de smeltkroes vullen.

Ad Borsboom en Klazien Laansma buigen zich in het toch al schaarse aantal bladzijden dat DTR voor beschouwingen reserveert over de vraag waar het vuur vandaan komt. Aardiger is de lezingtekst van Frank Moorhouse over de affectieve relaties tussen Australische sheepboys en schapen in "De vrouw van de veedrijver'.

In de afgelopen jaren trokken alleen Lolo Houbein en Tim Winton, en de aboriginal Mudrooroo enige aandacht in ons land. Lolo Houbein als een van de ¢4 230.000 geëmigreerde Nederlanders met haar Vreemdeling in de spiegel, een zeldzame emigrantenroman uit 1988 - Malou Nozeman vraagt zich elders in dit nummer af of de Nederlandse overheid in den vreemde niet veel te weinig doet aan taal en cultuur: “Ongetwijfeld is het ontbreken van Nederlandse migrantenliteratuur in Australië de prijs die de Nederlanders hebben betaald voor hun gretige assimilatie en hun gebrek aan een sterk ontwikkelde culturele identiteit”.

Patrick White (1912-1990) en Tim Winton (1960) leveren de uitstekende verhalen af die van hen verwacht mogen worden, maar geen moment geeft dit nummer zoiets als een "Australië-gevoel' af. Misschien moet DTR nu met haar intrede bij Van Oorschot de aanpak van de landen-nummers eindelijk maar eens heroverwegen? De Tweede Ronde, Australië-nummer. Van Oorschot, 184 blz. ƒ17,50