Het gelijk van Ter Veld

Zo'n tien jaar geleden maakten sommige mensen nog ernstig bezwaar tegen de destijds groeiende praktijk om in het regeerakkoord normen voor de overheidsfinanciën op te nemen.

Deze handelwijze zou de rechten van het parlement aantasten. Dat was en is een rare redenering. Stemt een meerderheid van de volksvertegenwoordigers in met het programma van een net aangetreden kabinet, inclusief normen ter verzekering van de budgettaire discipline, dan besluiten de kamerleden slechts hun eigen handen te binden. En dat is vaak een rationele strategie. Langslapers die 's morgens in alle vroegte hun bed uitmoeten, plaatsen de wekker zo ver van hun bed dat zij de volgende ochtend niet in de verleiding komen de stoorzender in één klap uit te zetten. Even zo doen parlementariërs er verstandig aan zichzelf op voorhand te dwingen onaangename financiële afwegingen niet uit de weg te gaan. Bovendien kunnen afspraken uit het regeerakkoord in een later stadium altijd worden opengebroken, al staat daarop mogelijk de zware sanctie van een kabinetscrisis.

Inmiddels betwijfelen weinigen dat normen voor de overheidsfinanciën nodig en nuttig zijn. Zij zijn nodig, omdat zonder een duidelijk raamwerk voor uitgavenniveau, belastingpeil en toelaatbaar tekort begrotingen gemakkelijk uit het lood raken. Dat is tegenwoordig meer dan vroeger het geval, aangezien collectieve kassen jachtterrein zijn geworden voor calculerende burgers en velerlei belangengroepen. Normen zijn ook nuttig, zoals de ervaringen van de afgelopen tien jaar hebben geleerd. Dankzij normen voor financieringtekort en collectieve lastenpeil, die waren opgenomen in achtereenvolgende regeerakkoorden, is het tekort geslonken van meer dan tien procent van het nationaal inkomen (in 1982) tot beneden vier procent nu - bij globaal gesproken een gelijkblijvend lastenpeil.

Landelijke politici en hun adviseurs zijn inmiddels aan het rekenen geslagen met het oog op de kamerverkiezingen van volgend jaar. Het gaat om verduiveld moeilijke afwegingen. Iedereen lijkt het er over eens te zijn dat de collectieve lasten te hoog zijn. Dat komt niet door de belastingen; ons belastingpeil ligt beneden het EG-gemiddelde. Maar de sociale premies drukken zwaar, in verhouding vooral op de inkomens tot 75.000 gulden bruto per jaar. De premies stuwen de loonkosten op, waardoor werkgevers minder snel mensen in dienst nemen. Door de hoge premies zijn de netto lonen in verhouding laag, wat (over)werken minder aantrekkelijk maakt. Met name de sociale premies moeten dus omlaag, om de werkgelegenheid te verbeteren en onze concurrentiepositie ten opzichte van het buitenland te versterken. Het Centraal Planbureau verwacht dat het belasting- en premiepeil in de komende kabinetsperiode vanzelf met één procentpunt van het bruto binnenlands produkt (bbp) zal dalen. Dat zou ten minste één procentpunt van het bbp extra moeten zijn. Dit vergt, bij een gegeven omvang van het tekort, extra bezuinigingen die oplopen tot zeven miljard gulden in 1998.

Het tekort van de overheid komt in dat jaar uit op iets meer dan twee procent van het bbp. Blijkens berekeningen van de Nederlandsche Bank moet dat aan het einde van de volgende kabinetsperiode tot één procent bbp zijn gereduceerd, om nog enigszins geloofwaardig te maken dat de schuld van de Nederlandse overheid in het eerste decennium van de volgende eeuw in een bevredigend tempo zal terugzakken tot zestig procent van het bbp. Dat is de schuldquote die in december 1991 in Maastricht is vastgelegd als één van de eisen waaraan een lidstaat moet voldoen om te kunnen toetreden tot de Economische en Monetaire Unie. De versnelde tekortreductie vergt acht miljard gulden aan extra ombuigingen.

Om de sociale premies en het tekort omlaag te krijgen tot de aangegeven waarden, zijn in de komende kabinetsperiode dus ombuigingen nodig die - ten opzichte van het uitgavenbeloop bij ongewijzigd beleid - oplopen tot vijftien miljard gulden in 1998. Dan is er nog geen gulden voor nieuw beleid beschikbaar. Evenmin beschikt een volgend kabinet dan over een financiële buffer om de gebruikelijke tegenvallers op te vangen. En die zullen zich zeker aandienen, gezien de flinterdunne invulling van een aantal bezuinigingen uit de Voorjaarsnota 1993.

Op welke posten moet het nieuwe kabinet bezuinigen? Het zou goed zijn als het komende regeerakkoord ook vastlegt welke samenstelling van de collectieve uitgaven wordt nagestreefd. Met name de produktieve overheidsuitgaven verdienen bescherming (investeringen, onderwijs) door hiervoor aan het begin van de regeerperiode een minimum af te spreken. De ombuigingen zullen hoofdzakelijk neerslaan bij de overdrachten (uitkeringen en subsidies). Vooral hiermee loopt Nederland uit de Europese pas. Hoofdzakelijk deze uitgavencategorie is verantwoordelijk voor de ontstuimige groei van de collectieve uitgaven in de afgelopen decennia. Het ligt daarom voor de hand het aandeel van de overdrachten in de uitgavenmix te beperken.

De conclusie is duidelijk. Oud-staatssecretaris Ter Veld had alle gelijk van de wereld, toen zij bij haar gedwongen vertrek uit de politiek voorspelde dat in de rest van de jaren negentig omvangrijke ombuigingen in de sociale zekerheid onvermijdelijk zijn.

    • Flip de Kam