Een oude kerk verhuisd

Zaterdag 19 juni moet het gebeuren. Dan komt de aartsbisschop van Praag, Miloslav Vlk, naar Most in Noord-Bohemen (onderdeel van de Tsjechische Republiek) om daar, aan de voet van het Ertsgebergte, de Maria Hemelvaartkerk feestelijk in te wijden. Geen nieuwe kerk maar een oude, die zich onder de laatgothische bouwwerken schaart, iets wat de inwijding des te opmerkelijker maakt. Het wordt een herhaling van een soortgelijke plechtigheid die zich bijna vier eeuwen geleden, in 1594, afspeelde, toen deze schepping van bouwmeester Jakub Heilmann von Schweinfurt voor het eerst werd geopend.

Eeuwenlang hebben de rooms-katholieke gelovigen hier hun gebeden opgezonden, maar onder het communistisch regime kwam de klad erin en kreeg de kerk, geroemd om haar akoestiek, een geheel andere rol te vervullen: die van concertgebouw, speciaal geschikt voor recitals. Maar opnieuw zijn de tijden veranderd en wenst de bevolking haar geloof weer te praktizeren, met als gevolg dat de kerk ten tweede male voor de eredienst beschikbaar komt.

Maar dan wel op een andere plek dan in 1594, want nog betrekkelijk kort geleden, herfst 1975, verhuisde de kerk van haar oorspronkelijke standplaats naar een lokatie die 841 meter verder oostwaarts ligt. Die verplaatsing vormde een spectaculair hoofdstuk in een tragische geschiedenis. Tussen 1966 en 1982 verdween het oude Most, voortgekomen uit een dertiende-eeuwse nederzetting, praktisch geheel van de aardbodem, omdat de stad, die 35.000 zielen telde, op last van de regering moest wijken voor de intensieve bruinkoolwinning in deze landstreek. Tegelijk werd iets verderop een nieuwe stad Most gebouwd als voorbeeld (zoals een brochure meldt) van "moderne socialistische planologie en architectuur'. Men vindt er dus veel flats rondom een aantal publieke gebouwen, die een sterke hang naar prestige verraden. Er wonen nu circa 80.000 mensen, vlakbij een bruinkoolgroeve die in oppervlak de dwergstaat San Marino (zestig vierkante kilometer) overtreft.

Maar de Maria Hemelvaartkerk werd gered. Uit dezelfde brochure: “Op 30 september 1975 zette dit belangwekkende monument zich in beweging om op 27 oktober van hetzelfde jaar 841 meter verder op nieuwe fundamenten tot staan te komen.” Voor dat doel was het 10.000 ton wegende gebouw in een staalconstructie gezet, die met speciale locomotieven over hydraulische rails werd voorgetrokken. Zo verdween de kerk met een gemiddelde snelheid van 2,16 centimeter per minuut uit het stervende Most om zich te voegen bij de restanten van een middeleeuwse kapel en het voormalige stadshospitaal, tegenwoordig een porseleinfabriekje.

Dat is alles wat er van de oude stad is overgebleven, afgezien van een serie gravures, ansichtkaarten en foto's die later in boekvorm verschenen, opdat bewoners en buitenstaanders zich tot in lengte van dagen een beeld zouden kunnen vormen van Most vóór de val. Dat moet in het bijzonder voor oudere autochtonen een deprimerende bezigheid zijn, want het kost zelfs de oppervlakkige bezoeker moeite zijn ogen droog te houden bij het zien van zoveel verloren stedeschoon.

Sommige beelden tonen de vernieling zelf, bijvoorbeeld van het neo-klassieke stadstheater, dat in 1911 tot stand was gekomen volgens ontwerp van Alexander Graf en op 22 oktober 1982 werd opgeblazen als slotakkoord van de (bijna) totale ondergang. Maar er leefde in die dagen blijkbaar ook een behoefte om van de nood een deugd te maken, want op één van de foto's dient de zwaar gehavende stad als decor voor opnamen van de film Im Westen nichts Neues naar het beroemde boek van Remarque.

Het zal op 19 juni, als de Maria Hemelvaartkerk plechtig wordt heropend, wel weer in diverse toonaarden ter sprake komen. Hoe Oud-Most in het gat van de bruinkool viel. Hoe het nieuwe Most verrees als Boheems equivalent van Lelystad of Almere. Maar vooral hoe Gods aardse onderkomen de dans wist te ontspringen. Een wonder van formaat. Het moet de kardinaal uit Praag geen moeite kosten daar een passende tekst bij te vinden.