De Vries moet CAO-kartel noodgedwongen intact laten

ROTTERDAM, 15 JUNI. Minister De Vries (sociale zaken en werkgelegenheid) heeft bakzeil gehaald: hij zal de reikwijdte van CAO's niet beperken, zo liet hij gisteren weten. Hij verkocht het als concessie aan de Eerste Kamer om met name de PvdA-fractie mild te stemmen voor de aanstaande behandeling van de ingreep in de WAO. Maar het is evenzeer een overwinning voor de sociale partners.

Sinds hij minister is, zinspeelt De Vries op mogelijkheden om zijn invloed op de loonvorming te vergroten. Veel instrumenten staan hem daarbij niet (meer) ter beschikking, maar hij zag mogelijkheden via het zogenoemd algemeen verbindend verklaren van CAO's.

Dit "AVV'en' houdt in dat afspraken die organisaties van werkgevers en werknemers in een bepaalde bedrijfstak maken over arbeidsvoorwaarden worden opgelegd aan alle bedrijven in die bedrijfstak, ook als zij niet zijn aangesloten bij een contractpartij. Het is in de loop der jaren uitgegroeid tot een automatisme. Sociale Zaken verklaart in de regel elk CAO-akkoord klakkeloos algemeen verbindend voor de hele bedrijfstak.

Vroeger gold dit AVV'en als een nuttig instrument om tot een behoorlijke ordening in de arbeidsverhoudingen te komen. Het legde loonconcurrentie aan banden en beschermde werknemers tegen loononderbieding, wat in een tijd zonder minimumloonwetgeving en bescheiden voorzieningen van sociaal belang was.

Fervente voorstanders van het AVV'en zijn, niet verrassend, de sociale partners. Volgens hen is het nog steeds een nuttig instrument, dat de stabiliteit van de arbeidsverhoudingen bevordert en bijdraagt tot "verbreding' van het CAO-overleg met "goede doelen', zoals afspraken over onder andere de verbetering van de kwaliteit van de arbeid, scholing en kinderopvang. Bovendien ligt volgens hen geleide loonpolitiek in het verschiet als de overheid CAO's daadwerkelijk inhoudelijk gaat toetsen.

Onder aanvoering van de Rotterdamse econoom prof.dr. E.J. Bomhoff en directeur prof.drs. G. Zalm van het Centraal Planbureau is de kritiek op het AVV-instrument de afgelopen jaren toegenomen. Tegenwoordig zijn de sociale regelingen (onder andere minimumloon en ontslagbescherming) van dien aard, zo betogen zij, dat “het blind AVV'en” het scheppen van nieuwe banen en het terugdringen van het aantal mensen dat afhankelijk is van een uitkering belemmert.

Enkele voorbeelden illustreren dit. Zo liggen in de meeste CAO's de laagste salarissen boven het minimumloon. Het AVV'en verbiedt dan mensen in dienst te nemen tegen het wettelijk minimumloon, hetgeen de kans op werk voor laaggeschoolden kleiner maakt. Ook het verplicht opleggen van afspraken over vakantiedagen, VUT-regelingen en bovenwettelijke uitkeringen bij ziekte en arbeidsongeschiktheid drijven de loonkosten op, waardoor het met name voor startende ondernemingen moeilijker wordt een plaatsje op de markt te veroveren.

In andere gevallen is het AVV'en regelrecht in strijd met het kabinetsbeleid. Neem bij voorbeeld de voorgenomen ingreep in de WAO, die leidt tot lagere uitkeringen bij arbeidsongeschiktheid. In het jongste CAO-overleg hebben werkgevers en werknemers dit "WAO-gat' goeddeels gedicht, soms via collectieve aanvullende regelingen. Door zulke afspraken algemeen verbindend te verklaren ondermijnt het kabinet in feite zijn eigen WAO-plan. Die tweeslachtigheid doet zich ook regelmatig voor bij loonsverhogingen. Zo bestempelde het kabinet de laatste jaren keer op keer loonafspraken als “onverantwoord”. Om ze vervolgens via het AVV-mechanisme dwingend op te leggen aan werkgevers die met de CAO-afspraak niets te maken (willen) hebben.

Met name de bovenwettelijke uitkeringen bij ziekte en arbeidsongeschiktheid waren De Vries een doorn in het oog. Hij had, zoals gezegd, dan ook wel oren naar een kritischer omgang met het AVV-instrument. En dat veranderde niet na het advies van de Sociaal-Economische Raad (in november vorig jaar) om vooralsnog niet te tornen aan de reikwijdte van CAO's.

Maar ook De Vries kan de complicaties niet negeren. In de Parlementaire Enquête stipte zijn voorganger De Koning er vorige week nog enkele aan. De Koning noemde het niet-verbindend verklaren van CAO's met ruime bovenwettelijke uitkeringen weliswaar “een aantrekkelijke gedachte”, maar ook “een dom middel”. De sociale partners zouden zo'n besluit met “een kast vol jurisprudentie” aanvechten, en De Koning betwfijelde zeer of de Tweede Kamer het zou steunen. Bovendien kreeg De Vries binnen het kabinet de handen niet op elkaar om het AVV-instrument nu al selectiever toe te passen. Voeg daar de WAO-perikelen in de Eerste Kamer bij, en het wordt duidelijk dat hem niet veel anders restte dan het "CAO-kartel' vooralsnog intact te laten. Tot grote opluchting van de CAO-partners, dat spreekt.

    • Joop Meijnen