De dagen van Ferruzi als familiebedrijf zijn geteld; Banken op onbekend terrein bij redding tweede particuliere bedrijf van Italië

ROME, 16 JUNI. De Ferruzzi-groep, die een van de grootste succesverhalen van de Italiaanse economie in de jaren tachtig heeft geschreven, dreigt te bezwijken onder zijn schuldenlast. Het agro-industriële en chemische concern moet een deel van zijn activiteit afstoten en verliest vrijwel zeker zijn karakter als familiebedrijf.

President Arturo Ferruzzi heeft, mede namens zijn zussen Franca en Alessandra, een brief geschreven aan de vijf Italiaanse banken waarbij Ferruzzi het meest in het krijt staat. Daarin geven zij de banken in feite carte blanche. Vervanging van het management, verkoop van onderdelen, de intrede van buitenstaanders in de overkoepelende holding Serafino Ferruzzi: de familie gaat bij voorbaat al akkoord.

Onder de regie van de handelsbank Mediobanca, een van de vijf hoofdschuldeisers en traditioneel de spil in het Italiaanse economische bestel, wordt een reddingsplan opgesteld voor Ferruzzi. Grote delen van het concern, na Fiat de tweede particuliere onderneming van Italië, lijken nog toekomst te hebben, maar er zal ingrijpend moeten worden gesaneerd.

Hiermee krijgt de zaak-Ferruzzi een lading die verder gaat dan het voortbestaan van het bedrijf zelf. De problemen van het concern laten zien dat de economische groei van Italië in de jaren tachtig voor een deel berust op een drijfzand van schulden - voor sommige andere bedrijven komt daar een met steekpenningen gekochte schijnzekerheid bij. En de oplossing voor het probleem wordt een test voor de nieuwe lijn die de Italiaanse bank vorige maand heeft uitgezet. Met hun reddingsplan betreden de banken onontgonnen terrein.

In de jaarlijkse rede zei de gouverneur van de Banca D'Italia, Antonio Fazio, eind vorige maand dat banken vanaf nu een direct belang mogen nemen in bedrijven. Het verbod daarop dateert nog uit de jaren dertig en gaat terug op de crash van 1929.

Het kabinet van Fazio's voorganger, Carlo Azeglio Ciampi, is met de centrale bank aan het overleggen voor de precieze regels hiervoor. Fazio zelf waarschuwde dat de banken geen ziekenboeg voor noodlijdende bedrijven mogen worden. “De banken mogen niet fungeren als het laatste redmiddel en evenmin de schulden omzetten in aandelen van bedrijven die geen uitzicht hebben op winst,” zei hij.

Bovendien willen Ciampi en Fazio voorkomen dat dit nieuwe beleid, waarmee Italië zich aanpast aan de regels die in de meeste andere EG-landen gelden, een stap terug wordt. De meeste banken zijn in handen van de staat. Als deze banken nu op grote schaal en al dan niet noodgedwongen belangen gaan nemen in particuliere bedrijven, is dit precies het tegenovergestelde van de privatisering die het kabinet voor ogen staat.

Maar de problemen bij Ferruzzi zijn zo groot dat de banken wel te hulp moeten schieten. De grootste schuldeisers, de bank San Paolo, heeft 2,6 biljoen lire tegoed van Ferruzzi, ongeveer 3,3 miljard gulden. Er wordt nu op gespeculeerd dat een deel van de schuld door een consortium van banken, waarin ook buitenlandse banken kunnen meedoen, wordt omgezet in aandelen.

Op 28 februari bedroeg de bruto schuld van de Ferruzzi-groep 31 biljoen lire, bijna veertig miljard gulden. En dat bij een jaar omzet van 20 biljoen lire. Het concern heeft leren leven met schulden, en de oprichter, de in 1979 overleden Serafino Ferruzzi, placht te zeggen: “Al dat gepraat over schulden. Met die schulden maak ik juist geld.” Maar ook voor industriële giganten met een aanzienlijk cash flow als het chemische concern Montedison, onderdeel van Ferruzzi, zijn de schulden te groot geworden. En voor de grote schulden van overkoepelende houdstermaatschappijen zonder eigen cash flow als de holding Serafino Ferruzzi is helemaal geen oplossing in zicht. De scherpe koersval van de aandelen Ferruzzi laat zien dat ook de beurs in Milaan er niet meer in gelooft.

De crisis bij Ferruzzi heeft een aantal oorzaken: een te ambitieuze expansie, gebrekkig management, en verdeeldheid binnen de familie over het te voeren beleid. In hun brief aan de banken geven Arturo, Franca en Alessandra Ferruzzi impliciet toe dat de structuur van een familiebedrijf voor een zo grote en complexe groep als Ferruzzi niet meer geschikt is.

Toen Serafino Ferruzzi in 1979 omkwam bij een vliegtuigongeluk, liet hij een niet zo groot maar gezond bedrijf achter. De familie Ferruzzi legde haar lot in handen van de ambitieuze Raul Gardini, getrouwd met Idina Ferruzzi. Met een reeks aankopen maakte Gardini van Ferruzzi een wereldwijd concern met honderden dochterondernemingen. Ferruzzi werd de grootste agro-industriële onderneming in Europa, en de fabrieken in Europa, de Verenigde Staten en Latijns Amerika vormden een industrieel rijk waar de zon nooit onderging.

Met de aankoop van het Franse bedrijf Beghin Say maakte Ferruzzi zich sterker in zijn kernactiviteit, de agro-industriële sector. Gardini verbreedde ook het scala van activiteiten: hij stapte de chemie in met de geruchtmakende aankoop van het veel grotere Montedison, de cement met de aankoop van Calzestruzzi en de verzekeringen met de aankoop van Fondiaria. En net als elke grote Italiaanse ondernemer zocht Gardini een eigen klankbord in de media. Hij kocht de Romeinse krant Il Messaggero en breidde gaandeweg zijn belang uit in de op Italië gerichte commerciële zender Telemontecarlo.

Sommige Ferruzzi's hadden hun bedenkingen. De groep werd wel erg heterogeen en de mogelijkheden voor synergie werden steeds kleiner. Gardini's succes in de jaren tachtig bracht zijn critici tot zwijgen, maar een keerpunt kwam met de poging om Montedison en het chemische concern Enichem, in handen van de staat, te fuseren in de holding Enimont. Voor twee chemische kolossen is geen plaats in Italië, placht Gardini te zeggen.

Enimont heeft anderhalf jaar bestaan, maar is vastgelopen op het verzet van de regeringspartijen. Toen Gardini met een list een meerderheid in Enimont had gekregen, weigerden zij de controle over Enimont op te geven. De Ferruzzi's werden voor een enorm bedrag uitgekocht, zo hoog dat het een aparte zaak in de smeergeldonderzoeken is geworden. Maar deze affaire leidde eind 1990 tot een breuk tussen Gardini en zijn vrouw Idina enerzijds en de rest van de familie anderzijds. Gardini werd verweten hersenschimmen na te jagen en de confrontatie te hebben gezocht met de regeringspartijen - ruim twee jaar geleden was dat minder in de mode dan nu. Met een gouden handdruk werd Gardini op straat gezet; en zijn vrouw kreeg 505 miljard lire (toen ongeveer 750 miljoen gulden) voor haar belang van 23 procent in de overkoepelende holding Serafino Ferruzzi.

Twee jaar lang zijn de problemen toegedekt in de boeken, maar mede door de recessie was de situatie niet langer houdbaar. De omzet daalde, en het was steeds moeilijker om kopers voor onderdelen van het concern te vinden. De familie-Ferruzzi heeft vorige maand nog de gang naar Canossa gemaakt en geprobeerd Gardini's vertrouweling Sergio Cragnotti, de voorzitter van de voetbalclub Lazio, in te schakelen bij het reddingsplan.

Dat is mislukt, mede door bezwaren bij de vijf grote schuldeisers: Mediobanca, San Paolo, Comit, Credito Italiano en Banca di Roma. Verwacht wordt dat Ferruzzi nu zijn belang in de verzekeringsmaatschappij Fondiaria moet verkopen. Hetzelfde geldt voor het cementbedrijf Calzestruzzi, en waarschijnlijk ook voor twee Montedison-dochters: Ausimont (chemicalieën) en Himont (plastic). De dagen van Ferruzzi als familiebedrijf lijken te zijn geteld, en de groep moet zich vrijwel zeker weer gaan concentreren op zijn kernactiviteit, de agro-industriële sector.

    • Marc Leijendekker