De betwiste charme van regionale ontwikkeling

Staatssecretaris Van Rooy van economische zaken beraadt zich over de toekomst van de vijf regionale ontwikkelingsmaatschappijen. Als aanjagers van de economie in "achtergebleven gebied' zijn ze volgens sommigen overbodig geworden. En volgens anderen schieten ze hun doel ruimschoots voorbij.

Zo op het oog vormt de 210.000 gulden die de Gelderse Ontwikkelings Maatschappij (GOM) eind 1991 investeerde in Helix BV een schoolvoorbeeld van financiering door een regionale ontwikkelingsmaatschappij. Helix - producent van een nieuw soort lift - was klein, kansrijk en innovatief, maar wist reguliere, commerciële verschaffers van "risicokapitaal' niet te interesseren voor zijn plannen. De GOM bleek bereid een achtergestelde lening te verstrekken en deel te nemen in het aandelenkapitaal.

Bij deze operatie valt één kanttekening te maken: het door de Gelderse ontwikkelingsmaatschappij ondersteunde bedrijfje stond en staat in Eindhoven. Omdat de GOM slechts in Gelderse bedrijven mag financieren, werd Nijmegen formeel tot statutaire zetel van Helix gemaakt. Daarbij beloofde Helix-directeur H. Piepers wel zijn bedrijf ook fysiek naar Gelderland te verplaatsen, maar daaraan werd geen termijn gekoppeld. “Het kan nog wel vijf jaar duren - of langer”, zegt hij.

“Uiterst vreemd”, zo kenschetst een woordvoerder van Noord-Brabant die gang van zaken. De provincie beschikt immers over een eigen ontwikkelingsmaatschappij, de BOM. Maar daarmee zegt Piepers “niet door één deur” te kunnen.

GOM-directeur W. Vrijhoef, tevens partijleider van D66, ziet niets merkwaardigs in de gang van zaken. “We zijn momenteel met verschillende bedrijven uit andere provincies in gesprek over participatie gekoppeld aan bedrijfsverplaatsing.”

Ooit werden in Nederland vijf ontwikkelingsmaatschappijen (ROM's) opgericht voor economisch zwakke regio's: naast de GOM en BOM zijn dat de NOM (voor Friesland, Groningen en Drenthe), de OOM (Overijssel) en de Industriebank LIOF (Limburg). Hun doel was kansrijke bedrijven in hun regio tot bloei te brengen. Dat ze daarvoor elkaars provincies zouden kannibaliseren, lijkt nooit de bedoeling geweest, maar het gebeurt - getuige Helix. Of dit een verstandige besteding is van de overheidsgelden waarmee de regionale ontwikkelingsmaatschapijen worden gefinancierd, laat zich raden. En het is niet het de enige vraag naar nut en functioneren van de vijf ROM's.

Het adviesbureau Berenschot heeft onlangs in opdracht van Economische Zaken uitgebreid onderzoek gedaan naar het functioneren van de ROM's. Staatssecretaris Van Rooy zal de uitkomsten ervan, met aanbevelingen, nog voor de zomer naar de Tweede Kamer sturen.

De aanleiding van die studie was overigens betrekkelijk positief. Toen ze in november 1990 aan de Kamer werd toegezegd, ging het Nederland voor de wind. Traditioneel hardnekkige probleemgebieden als Limburg en Noord-Brabant waren booming. Gelderland en Overijssel deden het evenmin slecht. Recente cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek staven dat: van 1987 tot en met 1991 lag de economische groei in die vier provincies gemiddeld circa 1 procent per jaar hoger dan in West-en Noord-Nederland. De verwachting was destijds dan ook dat het Berenschot-onderzoek zou leiden tot het geruisloos schrappen van de Rijksbijdrage aan vier ROM's, de Noordelijke uitgezonderd. Het "achterstandsmotief' leek voor die regio's immers verdwenen. De ingetreden recessie maakt afschaffing nu overigens minder vanzelfsprekend.

Pag 16: Omstreden rol van vijf regionale ontwikkelingsmaatschappijen

De ROM's zijn door Rijk en provincies in de jaren zeventig en begin jaren tachtig opgericht om de economische structuur van zogenoemde "perifere gebieden' te versterken. Dat zou de werkloosheid er tot een landelijk niveau kunnen terugbrengen. De ontwikkelingsmaatschappijen werden daartoe belast met een omvangrijk takenpakket: bedrijfsfinanciering, werving van buitenlandse investeerders, stimulering van innovatie en initiëring van "structuurversterkende projecten', zoals de aanleg van containerterminals.

Afhankelijk van de omvang van de regionale problematiek en de bereidheid van provincies fondsen te verstrekken, kregen de vijf ontwikkelingsmaatschappijen een aardig werkkapitaal mee. In 1991 bedroeg hun gezamenlijke vermogen 461 miljoen gulden, waarbij de NOM met 215 miljoen het ruimst in de slappe was zat. Het LIOF volgde met 147 miljoen, de GOM met 40 miljoen, de BOM met 37 miljoen en de OOM met 22 miljoen. Dit vermogen is voor een belangrijk deel uitgezet in enkele honderden bedrijven met enkele tienduizenden arbeidsplaatsen.

In hetzelfde jaar dat de studie naar de ROM's werd aangekondigd, 1990, viel al het besluit de maatschappijen niet langer van extra overheidsmiddelen te voorzien. Ze kregen in ruil daarvoor de beschikking over revolving funds, waarin de revenuen van hun deelnemingen terugvloeien, welk geld vervolgens weer kan worden gebruikt voor nieuwe projecten. De winst op financieringen hoefde niet langer te worden afgedragen, maar daartegenover staat dat verliezen voortaan ook voor eigen rekening zouden komen.

NOM en LIOF, de oudste en grootste ROM's, houden al enkele jaren miljoenen guldens over aan hun activiteiten. Ter vergoeding van hun exploitatiekosten ontvangen ze daarnaast van Rijk en provincie jaarlijks nog miljoenen guldens. Op de EZ-begroting prijkt voor dat doel een totaalbedrag van 16,7 miljoen gulden. Die kentering in de subsidiëring van de vijf mede door de Rijksoverheid gefinancierde ontwikkelingsmaatschappijen had alles te maken met de ruimere beschikbaarheid van risicokapitaal. In de door recessie getekende beginjaren tachtig waren nauwelijks particuliere participatiemaatschappijen te vinden die geld wilden steken in mogelijk riskante projecten. Tegenwoordig wemelt het echter van de bedrijven die op commerciële basis risicokapitaal aanbieden. Vaak zijn die zogeheten PPM's eigendom van banken, pensioenfondsen en verzekeringsmaatschappijen.

Aanvankelijk lag de nadruk van de ROM's vooral op "verliesfinanciering': het ondersteunen van bedrijven die zonder overheidshulp zouden "omvallen'. Na het RSV-debâcle - waarbij miljarden overheidsgeld in een bodemloze put verdwenen - en met het aantrekken van de economie raakte dit soort steun besmet. “We moeten groeiers bij de kop pakken”, vatte toenmalig LIOF-direkteur P. Niessen in 1985 kernachtig het nieuwe beleid samen om vooral in "kansrijke' ondernemingen te participeren. Zelf vond hij in ieder geval een geschikte kandidaat; Niessen verliet in 1989 het LIOF en is tot op de dag van vandaag president-commissaris van Aalberts Industries - ooit gevestigd in Limburg en een bewezen groeier.

De band tussen LIOF en Aalberts is ook interessant omdat het, zoals Tweede-Kamerlid Broos van Erp (VVD) het uitdrukt, een voorbeeld was van "oneigenlijk gebruik van belastinggeld'. Deze liberaal is altijd tegen de rijksfinanciering van de ROM's geweest “omdat zij niets toevoegen aan hetgeen marktpartijen en andere overheidsinstanties reeds doen”.

President-directeur J. Aalberts mocht in 1985 de Industriebank LIOF onder voor hem zeer gunstige voorwaarden uitkopen. Het LIOF verschafte enkele jaren eerder anderhalf miljoen gulden risicodragend vermogen aan Aalberts. Hij mocht eenzijdig het moment van LIOF's exit bepalen, en daarmee tegelijk het tijdstip waarop hij zijn eigen aandelenpakket aanzienlijk kon uitbreiden. Een deel van het door het LIOF gehouden belang schoof hij meteen door naar twee particuliere participatiemaatschappijen: Holland Venture en Amro PPM. Bij de beursgang, twee jaar later, verzilverde Aalberts een deel van zijn aandelenpakket, wat hem geen windeieren legde. De particuliere participatiemaatschappijen klaagden eind jaren tachtig over concurrentievervalsing door regionale ontwikkelingsmaatschappijen. En niet voor niets, vindt Van Erp. Want de laatste kunnen gesteund door overheidskapitaal gemakkelijker op de markt opereren dan ondernemingen die zelf de lasten dragen van verkeerd getaxeerde commerciële risico's. De laatste jaren is die kritiek wat verstomd en wordt zelfs samengewerkt. Dat komt, zegt directeur E. Smid van de Amsterdamse participatiemaatschappij Atlas Venture, door de in 1990 gewijzigde financieringsmethodiek waardoor ROM's "marktconforme' voorwaarden zijn gaan hanteren.

Daarmee doemt andermaal de vraag op wat nu eigenlijk het bestaansrecht is van een ROM die zich bij financieringen net zo hard opstelt als een PPM. “Geen”, meent Van Erp.

Bij zijn aantreden als gedeputeerde van economische zaken in Noord-Brabant gebruikte J. de Geus dat argument dankbaar om voor liquidatie van de BOM te pleiten. Daarbij speelde overigens een rol dat de provincie ook nog vijf intergemeentelijke ontwikkelingsbedrijven telt, waardoor de BOM de steun moest ontberen die zusterorganisaties elders wel van hun provinciale autoriteiten kregen.

Tegenwoordig oordeelt de Brabantse CDA-bestuurder milder over de BOM. De gebeurtenissen bij DAF, Philips en NedCar zijn daaraan niet vreemd. Bij zoveel economische tegenslag is elke helpende hand bruikbaar.

Ook elders in het land worden ROM's weer volop geconfronteerd met "defensief getinte aanvragen voor financieringen'. Onduidelijk is nog in hoeverre de ROM's bereid en in staat zijn die verzoeken te honoreren. Het staat immers op gespannen voet met het uitgangspunt dat hun financieringsbedrijven "de eigen broek moeten ophouden', zoals het heet. Gevraagd naar het effect op de werkgelegenheid van de 40 miljoen gulden die de Gelderse ontwikkelingsmaatschappij sinds haar oprichting in zeventig ondernemingen heeft gestoken, antwoordt Vrijhoef dat daardoor “alle circa 3000 arbeidsplaatsen bij die bedrijven zijn zekergesteld”. Maar zouden deze ondernemingen inderdaad anders allemaal geen financiering hebben gekregen, zoals de Gelderse gedeputeerde van economische zaken G. Voerman meent?

Of komt een deel slechts af op de betrekkelijk gunstige voorwaarden die de GOM volgens insiders biedt? Klok Logistics in Nijmegen (168 werknemers) kreeg in 1991 twee miljoen gulden, waarvan de helft als achtergestelde lening. Dat geld was nodig voor een omvangrijk investeringsplan. Directeur C.J. Driessen van deze logistieke dienstverlener zegt desgevraagd onomwonden dat hij ook elders terecht had gekund. “Doorslaggevend bij onze beslissing was de gunstige exit-regeling die de GOM ons bood.”

In Maastricht bezweert LIOF-directeur F. Koelman bijna hartstochtelijk dat zijn Industriebank dezelfde strakke voorwaarden hanteert als PPM's. Waaraan zijn financieringsbedrijf dan het bestaansrecht ontleent? “We richten ons tegenwoordig voornamelijk op kleine en middelgrote ondernemingen en starters”, zegt hij - marksegmenten die commerciële verschaffers van risicokapitaal liever links laten liggen. Ze vinden de risico's van starters te groot, terwijl de begeleiding van kleine deelnemingen (tot zo'n 300.000 gulden) kostentechnisch voor hen oninteressant zou zijn.

F. Veenema, secretaris regio-economie van de werkgeversorganisatie voor midden- en kleinbedrijf KNOV, volgt het financieringsbeleid van de ROM's al vele jaren kritisch. Naar zijn zeggen was het reeds bij de oprichting de bedoeling dat de ROM's zich intensief met het MKB zouden bezighouden. “Daar is weinig van terechtgekomen.” Hij vreest dat de situatie na 1990 alleen maar erger is geworden. Het KNOV is ook gekant tegen de activiteiten die ROM's tegenwoordig ontplooien op het gebied van bedrijfsadvisering, niet in de laatste plaats omdat de ondernemersorganisatie die diensten zelf ook aan de man brengt. Kritiek oogsten sommige regionale ontwikkelingsmaatschappijen ook om pogingen in Oost-Europa handelscontacten te leggen. Zo is een van de zeventien medewerkers van de Gelderse ontwikkelingsmaatschappij al bijna twee jaar vrijwel permanent betrokken bij de begeleiding van de Lubelska Fundacja Rozwoju, de regionale ontwikkelingsmaatschappij voor de provincie Lublin in Oost-Polen. De GOM wil daarmee een "makelaarsrol' vervullen tussen Oostpoolse en Gelderse bedrijven. “Puur hobbyisme”, knort Van Erp. “Daarvoor zijn de ROM's niet opgericht.”

Waar de ROM's wèl voor zijn opgericht, is het werven van investeerders in het buitenland. Volgens het Commissariaat voor Buitenlandse Investeringen in Nederland (CBIN), op Economische Zaken belast met de werving van buitenlandse bedrijven, acquireren de Limburgse, Noordelijke en Brabantse ontwikkelingsmaatschappijen het actiefst. Voor het Noorden leverden die inspanningen tot dusverre niet zo bijster veel op. Limburg en Noord-Brabant daarentegen trokken in de periode 1988-1991 buitenlandse investeerders die respectievelijk voor 2600 en 1500 arbeidsplaatsen zorgden. Limburg was daarmee de populairste vestigingsplaats voor buitenlandse ondernemingen, gevolgd door Zuid-Holland en Noord-Brabant.

Van Erp meent echter dat die bedrijven ook zonder de bemoeienis van BOM en LIOF in het zuiden waren neergestreken, gezien de gunstige ligging ten opzichte van het Europese achterland.

Volgens een woordvoerder van EZ mag de waarde van de ROM's niet worden onderschat. “De betekenis van de regionale ontwikkelingsmaatschappijen schuilt in hun grote kennis van lokale omstandigheden, hun professionele organisatie en in de functie die ze door de unieke combinatie van taken in het regionale economisch netwerk vervullen.” Via dat netwerk krijgen de ROM's bij voorbeeld signalen van reeds gevestigde bedrijven over investeringsplannen van buitenlandse zakenrelaties. Volgens G. Mustert, tot 1 april directeur van de BOM, werft die maatschappij zonder tussenkomst van het CBIN, jaarlijks gemiddeld zo'n tien buitenlandse bedrijven.

Bij al die discussie over nut en noodzaak van regionale ontwikkelingsmaatschappijen komt de recessie hun niet ongelegen. Waar generieke steun tot voor kort uitgangspunt was, toont politiek Den Haag zich de laatste tijd minder afkerig van gerichte ondersteuning van bedrijven. De ROM's zien daarin een prachtig aanknopingspunt om hun eigen toekomst zeker te stellen.

In GOM-directeur Vrijhoef, die als D66-voorzitter geen geheim maakt van zijn ambities voor een ministerschap, hebben ze in ieder geval een verklaard beschermheer. Hij bepleit instelling van een speciaal fonds van 800 miljoen gulden, onder beheer van regionale ontwikkelingsmaatschappijen, ter stimulering van kleine en middelgrote industriële bedrijven. Bovendien zou elke provincie met financiële steun van EZ zo'n maatschappij moeten krijgen, vindt hij.

Van Erps visie op de toekomst van de regionale ontwikkelingsmaatschappij is anders: “De Rijksbijdrage schrappen en een terugbetalingsregeling treffen voor de honderden miljoenen guldens die het Rijk nog van hen tegoed heeft.”

    • Erik Wiegerinck