Commissie-Franssen: decentralisatie moet continu proces worden; "Premier moet decentralisatie opleggen'

DEN HAAG, 15 JUNI. De minister-president en andere betrokken bewindslieden moeten als een soort "kernkabinet' de bevoegdheid krijgen om decentralisatie-besluiten aan andere ministers op te leggen. Departementen die meewerken aan de afstoting van taken moeten financieel worden beloond door ze te ontzien bij bezuinigingsrondes. Daarmee wordt decentralisatie een continu proces.

Dit schrijft de commissie-Franssen, een van de commissies die de Tweede Kamer adviseert over staatkundige vernieuwing. De commissie onder leiding van het VVD-Tweede Kamerlid J. Franssen was vanmiddag de vijfde sub-commissie van de commissie-Deetman die haar rapport publiceert. Eind deze maand wordt de rij gesloten door de commissie-Wiegel, die adviseert over departementale herindeling.

De commissie-Franssen schrijft in haar rapport "Over decentralisatie is nog nooit een vers geschreven', dat tot nu nog toe alleen taken worden afgestoten als daar financiële reden voor was. “Decentralisatie wordt te weinig op haar intrinsieke waarde beoordeeld: het bestuur dichterbij de burger brengen.”, aldus voorzitter Franssen in een toelichting. Daarom pleit de commissie voor uitvoering van bestaande voorstellen, bijvoorbeeld om de mogelijkheden voor gemeenten uit te breiden een eigen belastingbeleid te voeren (rapport-De Kam). De rijksoverheid zou dan tegelijkertijd haar eigen belastingen moeten verlagen.

Elk kabinet dient een eigen, nieuwe decentralisatieronde te beginnen, aldus de commissie. Om deze bestuurlijke vernieuwing mogelijk te maken moet een politieke regiegroep, bestaande uit onder anderen de minister-president, vice-premier en minister van Binnenlandse Zaken, de mogelijkheid krijgen bepaalde besluiten af te dwingen. Decentralisatie zou moeten worden overgeheveld van de portefeuille van de staatssecretaris naar die van de minister. Een dergelijke benadering maakt meer kans dan eerdere pleidooien, zoals van de commissie-De Koning, om de positie van de minister-president te versterken, aldus Franssen vanmorgen op een persconferentie. “We hebben in Nederland coalitie-kabinetten en onze optie heeft het voordeel dat de politieke toppen van de coalitiepartijen in die regiegroep vertegenwoordigd kunnen zijn.”

In het kabinet bestaat al een politieke regiegroep voor decentralisatie. Die stuit echter op de weerstanden van de collega-ministers. Om de besluitvorming te verbeteren zal een verandering van het reglement van orde van de ministerraad nodig zijn, aldus Franssen. “Dat legt een hypotheek op de collegialiteit in de ministerraad”, erkent de parlementariër.

De commissie van Tweede-Kamerleden steekt de hand ook in eigen boezem. De Kamer leidt net als het kabinet te veel aan verkokering waarbij specialisten hun eigen sector belangrijker vinden dan algemene doelstellingen zoals het afstoten van rijkstaken. Daarom stelt de commissie-Franssen voor om de Kamercommissie voor binnenlandse zaken een prominentere rol te geven dan de andere commissies. Leden van deze commissie moeten als rapporteur voor decentralisatie vergaderingen van de andere commissies kunnen bijwonen.

De passage in het rapport Franssen over de politiek gevoelige decentralisatie in het onderwijs is kort. De commissie pleit slechts voor het “doorbreken van taboes”. Toch gaat de commissie volgens Franssen hiermee verder dan het kabinet en het CDA. “Die taboes zijn niet gelimiteerd. Dat betreft ook het taboe op decentralisatie van de bekostiging van scholen”. Verder wijst hij erop dat de commissie vooral territoriale decentralisatie - naar onder meer gemeenten - nastreeft, en niet naar maatschappelijke organisaties zoals de koepelorganisaties. Dat laatste heeft de voorkeur van het CDA.

Franssen gaat ervan uit dat zijn voorstellen meer kans op uitvoering maken dan die van politieke controversiële onderwerpen zoals over de gekozen burgemeester (commissie-Van Thijn) en de gekozen minister-president (commissie-De Koning). Over onderwerpen als decentralisatie bestaat grotere politieke consensus, aldus Franssen, al heeft dat tot nu toe niet geleid tot een daadkrachtige uitvoering.