Bijna blind

Als ik heb voorgelezen uit "Een jaar in scherven', komt er altijd wel iemand naar me toe om te zeggen dat ze ook zo'n grootvader heeft gehad. Dan sta ik machteloos.

Want mijn verstand zegt ja, natuurlijk heeft ze ook zo'n grootvader gehad, duizenden hebben zo'n grootvader gehad en maar gelukkig ook, de lezer die iets van zichzelf herkent is een tevreden klant.

Maar mijn gevoel zegt nee, onmogelijk, zo'n grootvader heb ik niet bedoeld, geen type maar een unicum, geen allemansvriend, niet iemand die je zomaar aan een ander overdoet.

Dat ene dorp, dat ene huisje aan de dijk. Het stoepje af, het klompenhok, het achterhuis en die ene man naast de kachel, bijna blind. De blijdschap op dat oud gezicht zodra hij hoort dat jij het bent. De barsten in zijn stem. De zacht geworden eeltlaag in zijn hand. En hoe hij in de rookstoel zit: een opgetrokken voet met zwarte sok, de elleboog op zijn knie, de hand achter zijn hoofd, de pet een weinig opgelicht. De geur van butagas en pruimtabak, de strook met vastgekleefde vliegen aan de lampekap... Hij wás mijn grootvader niet eens, hij was een oom van mijn vader!

Ik knik maar wat. Ik pak de boeken in mijn tas en kijk of ik mijn vulpen niet vergeten ben.

Dat is het belang van een grootvader - het gevoel dat er maar één zo'n kleinkind op de wereld is.