Ter Veld: Kamerdebat over en met mij had tot crisis kunnen leiden

DEN HAAG, 14 JUNI. De voormalige staatssecretaris E. ter Veld van sociale zaken heeft het na de vertrouwensbreuk tussen haar en de PvdA-fractie niet op een Kamerdebat in haar aanwezigheid willen laten aankomen. Anders was het voortbestaan van het kabinet in gevaar gebracht.

Ter Veld zei dat gisteren in het televisieprogramma Het Capitool. “Ik was bang dat een Kamerdebat zodanig over de inhoud van het beleid zou gaan, dat er dan een kabinetscrisis had kunnen dreigen”, aldus Ter Veld. “Een dergelijk Kamerdebat zou òf onbegrijpelijk zijn geweest òf over de inhoud van het beleid zijn gegaan”. De PvdA heeft steeds gezegd dat Ter Velds vertrek het gevolg was van een vertrouwensbreuk tussen haar en de fractie en niet te maken had met de inhoud van haar beleid.

Tweede-Kamervoorzitter W. Deetman noemde het vanmorgen voor de NCRV-radio echter essentieel dat bewindslieden zoals Ter Veld verantwoording afleggen in het parlement. “Het land wordt niet geregeerd door individuele fracties of door individuele politieke partijen”, aldus Deetman. “Er is een regering die verantwoording aflegt in de Kamer. Een minister en een staatssecretaris kunnen hun ambt uitoefenen zolang de Kamer niet heeft laten blijken dat er geen vertrouwen is. Terwille van de politieke zuiverheid is het daarom essentieel dat in het parlement een debat plaatsvindt en daarna pas conclusies worden getrokken.”

Volgens Ter Veld zou een kabinetscrisis op dit moment onverstandig zijn geweest, nu “de worsteling bij de PvdA over de inhoud van de sociale zekerheid nog steeds de goede kant opgaat”. Ter Veld zei zich wel enigszins te kunnen vinden in uitspraken van CDA-fractievoorzitter Brinkman, dat aan verdergaande maatregelen in de sociale zekerheid niet is te ontkomen.

Het lijkt Ter Veld niet waarschijnlijk dat ze bij de verkiezingen van mei volgend jaar weer kandidaat voor een plaats in de Tweede Kamer zal zijn. “Ik ben wel een politiek dier, maar ik denk er nu aan om actief te zijn op terreinen die iets verderaf liggen van het Haagse.”