Stad en provincie Utrecht worstelen met toeristisch imago

De stad en de provincie Utrecht worden bepaald niet overstroomd door toeristen. Er is iets mis met "het imago' van Utrecht. Maar wat?

UTRECHT, 14 JUNI. In Utrecht kun je veilig slapen. Touroperators die hun buitenlandse gasten niet in Amsterdam willen laten overnachten, kiezen vaak een hotel in Utrecht. Vandaaruit worden uitstapjes gemaakt naar het Rijksmuseum, het Paleis op de Dam en de grachten. Het Utrechtse hotelwezen floreert dankzij de verloedering van Amsterdam.

Voor de Utrechtse toerisme-sector is dit een bewijs te meer dat er iets mis is met de promotie van de regio. Sinds enige jaren breken stad en provincie zich het hoofd over de manier waarop de toerist kan worden gelokt naar het "hart van Nederland'. Voor Nederlandse verblijfstoeristen is Utrecht na Groningen de minst populaire provincie, zo bleek uit een vorig jaar juli gepresenteerd imago-onderzoek. Zelfs Flevoland had in 1991 in de Nederlandse vakanties nog een marktaandeel van 2,9 procent, terwijl Utrecht moest volstaan met 2,7. De enige troost voor de Utrechters was dat het marktaandeel van hun provincie in de voorgaande vijf jaar minder hard was gekrompen (0,6 procent) dan dat van de polder (-1,9).

Volgens directeur A. Buesink van de provinciale VVV is de terugloop van het Utrechtse marktaandeel inderdaad "dramatisch', maar is de situatie niet zo somber. Recente cijfers geven een positiever beeld en het imago-onderzoek beperkte zich tot het verblijfstoerisme. “Het dagtoerisme is het sterke punt van Utrecht en we hebben het idee dat dat nog groeit.” Niettemin erkent Buesink dat de provincie in de totale landelijke toeristische omzet nog "een ondergeschoven kindje' is. Met een slagvaardige marketing zou dat kunnen veranderen.

Lange tijd had de provincie Utrecht weinig toeristische ambities. Pas in 1987 kwam er een provinciale VVV, nadat elders in Nederland het economisch nut van toerisme al ruimschoots was ontdekt. In 1991 heeft de provincie volgens eigen zeggen de VVV met "aanzienlijke' financiële bijdragen "weer op de rails gezet'.

De stad Utrecht leek voortvarender. Al in 1985 ontwierp de Grontmij een plan waarin werd geconstateerd dat de stad “in haar verschijningsvorm uniek is”. De Grontmij presenteerde een "uitgebalanceerd compromis' om de sterke punten van de stad te promoten, waarbij ook aandacht geschonken zou moeten worden aan het "wij-gevoel' van de bevolking.

Een van de toeristische speerpunten van Utrecht is het "waterlint'. De Utrechtse Oudegracht die de Vecht en de Kromme Rijn verbindt, vormt een aantrekkelijke passage voor de pleziervaart. Maar ook hier treedt inmiddels filevorming op. Voorts is er een uitbundige terrascultuur ontstaan op de werven langs het water. De promotie van het waterlint kreeg hilarische trekken met de overkomst van een rondvaartbedrijf uit Amsterdam. Het leidde tot een watergevecht met een bedrijf dat al sinds mensenheugenis in de Oudegracht op en neer vaart. Inmiddels is er sprake van een gewapende vrede.

Het strategisch plan uit 1985 bleef grotendeels een papieren tijger. Er zat niets anders op dan opnieuw een werkgroep te vormen. De werkgroep presenteerde vorig jaar een plan voor een slagvaardiger organisatie van de toerisme-promotie. Dat moet onder meer gebeuren via een integratie van de VVV's van de steden Utrecht, Zeist en Amersfoort met de provinciale VVV. Sinds de verschijning van het rapport beraadt men zich. Nog dit jaar willen stad en provincie een besluit nemen over de toekomstige koers. “Het gaat allemaal wat traag”, beaamt VVV-directeur Buesink. “Maar de consensus is aan het groeien.”

Een van de problemen van de regio is haar middelmatigheid. “Utrecht heeft geen toeristisch imago”, zegt een ambtenaar belast met toerisme-promotie. “Het is altijd tweede keus. Het heeft een stad met grachten, maar het is geen Amsterdam. Er is een Heuvelrug met bossen, maar het is geen Veluwe, en er zijn de plassen bij Loosdrecht, maar het is geen Friesland.” Ook de stad worstelt met haar imago. De grijsheid van Utrecht, die als kerkenstad haar hoogtij vierde in de Middeleeuwen, is legendarisch.

Het Nationaal Museum van Speelklok tot Pierement trekt jaarlijks zo'n 135.000 bezoekers en behoort daarmee tot de topattracties van Utrecht. Een grotere toeloop is niet nodig, meent directeur drs. H. Blankenberg, want dat gaat ten koste van de kwaliteit. Blankenberg was lid van de werkgroep De Ruiter en heeft dagenlang meegepiekerd over de identiteit van Utrecht. “Als je daarover moet meedenken is het al mis. We kwamen uit bij de Middeleeuwen, bisschoppen en kastelen, maar we kwamen niet tot een eigentijds beeld. "We zijn de meest diverse provincie van Nederland' werd gezegd. We hebben alles, maar elders is het ook en mooier.”

Blankenberg vindt dat de stad moet kiezen voor unica. “Je moet laten zien dat in Utrecht niet Amsterdam in het klein te zien is. De Dom is verreweg het belangrijkste klassiek-gotische gebouw in Nederland. De Pieterskerk is de gaafste Romaanse kerk uit de elfde eeuw. Veel Fransen en Italianen vinden het hier leuk, hoor. Maar je moet niet op een beurs in Ottawa gaan roepen: kom naar Utrecht. Want een Canadees weet nog niet het verschil tussen Copenhagen en Nederland.”