Kathedraal Madrid net voltooid vóór bezoek Paus aan Spanje

MADRID, 14 JUNI. Dit weekeinde werd er nog gemetseld, gestuct en geschrobd. Maar als morgen paus Johannes Paulus II het gebouw heeft ingewijd, kan de hoofdstad van Spanje opgelucht adem halen. Opgelucht, maar niet tevreden. Eindelijk heeft Madrid een kathedraal, na vijf eeuwen wachten en honderdtien jaar bouwen. Helaas is het geval geen sieraad voor de stad.

De Heilige Almudena heeft een neo-gotisch schip, een neo-romaanse crypte en een neo-klassieke buitengevel. De deuren zijn met koper beslagen en de ramen voorzien van modernistisch glas-in-lood. Aan één kant ziet het bouwwerk er uit als een achtiende-eeuws jachtslot met twee spitse torentjes, zodat het past bij het koninklijk paleis ernaast. Aan de andere zijde lijkt het op een opgeblazen kloosterkerk, compleet met koepel. Stedebouwkundigen wenden bij het passeren hun gezicht vol schaamte af. Onder gelovigen zal nog jaren worden ingezameld om de schulden af te betalen.

Tegenwerking vanuit Toledo, waar de aartsbisschoppen niet aan belang wensten in te boeten, politieke omwentelingen en chronisch geldgebrek hebben er voor gezorgd dat het tot de vierde Spaanse reis van de huidige paus moest duren voor de kathedraal enigszins toonbare staat kon worden gebracht. Het idee voor de bouw dateert al uit de tijd van Karel de Vijfde en paus Leo X gaf in 1518 schriftelijk toestemming voor de bouw. Koning Filips IV legde in 1623 de eerste steen maar deed dat kennelijk zo ondeskundig dat zijn opvolger Alfons XII de ceremonie in 1883 over moest doen. In 1911 werd de crypte in gebruik genomen.

In de jaren van de Republiek en de burgeroorlog lagen de werkzaamheden stil. Onder Franco besefte men opeens dat er in de plannen geen rekening met de omgeving was gehouden en werd er een nieuw ontwerp voor de buitenkant gemaakt. Met onderbrekingen werd er daarna doorgebouwd tot 1980, toen het geld definitief op was en de aannemers hun steigers weghaalden. De toenmalige bisschop van Madrid, kardinaal Tarancón, vond dat de kerk haar geld beter kon besteden dan aan de voltooing van en prestigeproject. Pas vijf jaar later besloten bisdom en gemeente de hulp van premier González in te roepen, die beloofde zich in te spannen om sponsors voor de rune te vinden. Zo komt het dat de Almudena nu een van de weinige moderne Europese kerken is waarin niet alleen nog volop notabelen worden begraven, maar die ook over kapellen van grote bedrijven beschikt.

De Heilige Vader, die dat alles in gebruik mag stellen, is zaterdag in Sevilla aangekomen voor een vijfdaags bezoek aan Spanje, dat vermoedelijk zijn laatste zal zijn. Hij wordt gevolgd door een kleine stoet van artsen en hartspecialisten en heeft het aanvankelijk voorziene programma aanzienlijk moeten inperken. Zo zal hij bijvoorbeeld niet ter gelegenheid van het Heilig Jaar het graf van de apostel Jacobus in Santiago de Compostela bezoeken. Wel heeft de voorbereidingscommissie er zorg voor gedragen dat tegenover een exclusieve plechtigheid als de inwijding van de Almudena, waarbij vooral vertegenwoordigers van adel en hoge geestelijkheid aanwezig zullen zijn, ook bijeenkomsten met een massaal karakter staan, waar de paus zijn sociale boodschap kan uitdragen.

Zaterdag maande hij de gelovigen in Sevilla om de zondagrust, het gezinsleven en de christelijke gemeenschap in ere te houden. Deze waarden zouden immers bijdragen tot het scheppen van een betere wereld, "met meer onderlinge solidariteit en minder consumptiedrang'. Gisteren droeg hij ten overstaan van zeshonderdduizend gelovigen een mis op in de open lucht en riep hij de Spaanse regering op om met kracht de strijd tegen werkloosheid en corruptie aan te binden. “Eucharistie en barmhartigheid zijn immers onverbrekelijk verbonden,” aldus Johannes Paulus. Vandaag bezoekt de paus Huelva en het klooster van La Rábida, waar Columbus enige tijd doorbracht alvorens Amerika te ontdekken. Woensdag draagt de paus een mis op in het centrum van Madrid, ter gelegenheid van de zaligverklaring van Enrique de Ossó, en donderdagochtend vliegt hij terug naar Rome.

    • H.M. van den Brink