Hart

Donderdagavond laat, op het vliegveld van Frankfurt. De vermoeidheid daalt loom en loodzwaar neer op de klamme avond van een lange dag. Een bus brengt zo'n honderd zwijgende passagiers van het luchthavengebouw naar de Boeing 737 van Lufthansa. Alleen twee Italianen kunnen kennelijk niet kapot en ratelen zonder ophouden door elkaar heen. Boven aan de trap van het vliegtuig, links van de ingang, een tweetalig bordje: dit toestel heet Fulda, genoemd naar een stad in Duitsland. Alles verloopt stipt volgens het draaiboek.

En dan opeens de stem van de captain: “Dames en heren, we zijn gereed voor vertrek, maar we wachten nog op een hart. We verwachten dat het met een minuut of vijf tot tien hier zal zijn. We nemen aan dat u daar begrip voor heeft.” Mijn hart slaat een slag over.

Na vijf minuten verschijnt onderaan de trap van het vliegtuig een busje. Een man draagt voorzichtig een witte piepschuimen doos met hengsel de trap op. Op het eerste gezicht doet het ding denken aan een koelbox voor de vakantie, al is deze misschien een slag groter. De drie stewardessen verdringen zich in de cockpit als de doos naast de stoel van de piloot wordt geplaatst. Belangstelling als voor een pas geboren baby, al staat een van de drie zichtbaar te griezelen. Ze bijt op haar vingers.

Even later heeft ze zich weer hersteld: “Ja, het gebeurt regelmatig dat op vluchten van de Lufthansa organen, harten en nieren en zo, worden meegenomen. Het is diep gevroren, geloof ik.”

Vlucht 4252 vertrekt met een paar minuten vertraging. Telkens als de deur van de cockpit open gaat, meen ik een stukje van de koelbox te zien. No Entry, Kein Eintritt staat er op de deur. Een Duits hart onderweg naar een Nederlander met een snelheid van 810 kilometer per uur op een hoogte van vijf kilometer. In de buurt van Duisburg weerlicht het, het toestel schudt even van de onweersbuien in de omgeving.

Naast me zit een zakenman de beroerde economische toestand in Finland te bestuderen, aan de andere kant brengt een man zijn portefeuille op orde. Broodjes met ham en kaas gaan rond. Vet is slecht voor je hart denk ik en bedank. Alcoholische dranken gaan rond, die verwijden de bloedvaten, maar ik bedank weer. Ik krijg mijn gedachten niet weg van dat hart. Van wie was het, voor wie is het?

Tijd om het te vragen krijg ik niet meer. Zodra het toestel is geland, verdringen de passagiers zich in het gangpad om het toestel snel te kunnen verlaten. Het uitstappen uit een vliegtuig heeft altijd iets van een haastige vlucht, alsof iedereen beseft dat het niet logisch is dat een mens vliegt. Elke seconde die je wint door snel uit je stoel op te staan gaat bij het wachten op de bagage weer ruimschoots verloren, maar toch is de neiging om zo gauw mogelijk buiten te zijn onuitroeibaar.

De purser vraagt, zodra de deur opengaat, even geduld te bewaren. Het hart zal als eerste het vliegtuig verlaten. Niemand protesteert tegen deze VIP-behandeling. Een half geüniformeerde man, open overhemd op een donkerblauwe broek, komt aan boord en haalt de koelbox uit de cockpit. Als hij na nauwelijks dertig seconden het toestel weer verlaat, stoot de box met een doffe klap tegen de wand van het toestel. Zodra hij in de slurf van Schiphol is gestapt, begint de man keihard te rennen. “Houd hem goed vast”, roept iemand hem na. Ik loop achter hem aan. Maar als ik bij pier B aankom, is de man met het hart verdwenen. Misschien al onderweg naar de Bijlmer, naar een operatiekamer van het AMC, waar we tien minuten geleden bijna overheen vlogen.

    • Herman Amelink