Een gelovige bouwt zijn kathedraal

Morgen zal de Paus van Rome tijdens een bezoek aan Spanje de kathedraal van Madrid inzegenen. Maar als hij een voorbeeld van ware godsvrucht en volharding zou willen zien, dan kan hij beter afreizen naar de Sierra, waar een voormalige monnik met blote handen bouwt aan zijn eigen kathedraal.

Op zo'n dertig kilometer van Madrid, ingeklemd tussen de snelwegen naar Barcelona en Valencia ligt het dorp Mejorada del Campo. Mooi is het er niet. Het land is kaal, het dorp is arm. De nieuwe wijken met uniforme eengezinswoningen en flats hebben niets te maken met het oude centrum vol kleine witgekalkte huisjes, waar geen stoep de auto's van de voordeur weghoudt, en de was strak langs de muren is gespannen. Natuurlijk is er op iedere straathoek een bar.

Op de grens van oud en nieuw ligt wat eens het landje van Justo's vader was. Nu glooien er trappen naar een groots gebouw. Het is de kathedraal van Justo Gallego. Uit de twee hoofdtorens spriet ijzer op, want de beoogde hoogte van dertig meter is nog niet bereikt. Het dak bestaat uit golfplaat, het gebouw is half afgesmeerd met cement. Daardoor is nog goed te zien hoe hier gewerkt wordt. De ronde torens zijn met afgekeurde bakstenen in elkaar gemetseld. Versieringen worden gemaakt van glasscherven, stukken marmer of gebroken badkamertegels. Het zijn de allergoedkoopste bouwmaterialen, weggesleept bij fabriek of stort. Maar van een afstand valt dat nauwelijks op. Dan raakt de kijker onder de indruk van de Romaans-aandoende architectuur met een vleugje Gaud.

Justo Gallego (63) is geen architect, maar een gelovige. Dertig jaar geleden kreeg hij de goddelijke influistering een kathedraal voor de heilige moeder te bouwen, en sindsdien is hij daar dag in dag uit mee bezig. Het was op een dieptepunt in zijn leven. Zijn kloostergemeenschap had hem verstoten toen hij besmet bleek met tuberculose. Bij zijn zuster vond hij onderdak en daar woont hij nog steeds. Iedere peseta die hij bezit verdwijnt in zijn levenswerk. En is het geld tijdelijk op, dan graaft hij verder aan de crypte.

Deze morgen hangt Justo metershoog tegen de gevel geplakt. Zijn hulpje Vicente is blij dat hij het gebouw mag laten zien. Nee, uit godsdienstige redenen helpt hij niet mee. “Het is een aardige man”, moet ik weten, “Je kunt met hem lachen. Ik zeg wel eens tegen hem: Justo jij bent eerder dood dan dat dit karwei klaar is, maar dat deert hem niet.” De jongen laat de bijgebouwen zien, de kapel van het allerheiligste, de twee kloosters, die van elkaar gescheiden zullen worden door een kloosterhof. De eerste rij pilaren staat al, en de doopkapel ook, halfrond, uitbundig versierd met pilaren.

De roest slaat al door het beton heen, binnen gapen gaten in de vloer. “Ja, die moet over”, weet Vicente, “de steunbalken zijn niet dik genoeg.” Vanuit de crypte zien de dunne metalen leggers er inderdaad niet uit alsof ze honderden gelovigen zouden kunnen houden. Zo hebben bouwdeskundigen en de lokale politie ook ernstige twijfels over de stevigheid van de fundamenten en muren, als Justo inderdaad zijn plan uitvoert en een twaalf meter hoge koepel op het dak zet.

Volgens Vicente hoeven ze voor instortingsgevaar echter niet bang te zijn, onlangs hebben ze nog vier meter diep gegraven om de fundamenten met beton te verstevigen. De autoriteiten zijn niet overtuigd, maar het is inmiddels ook wat laat om een project waar nooit een gemeentelijke vergunning voor werd afgegeven een halt toe te roepen. Geen mens in Mejorada hield er rekening mee dat Justo zó ver zou komen met de verwezenlijking van zijn droom.

De plannen van Justo bestaan in zijn hoofd. Er zijn geen tekeningen, geen berekeningen. Waar elders op bouwterreinen sommen op de muur staan, prijken hier godsvruchtige leuzen. Versieringen zijn er nog niet, of het moesten de nestjes gipsen heiligenbeeldjes zijn, Jezussen zonder hoofd, Maria's die een arm of meer missen. In het weekeinde stoppen er regelmatig dure auto's van nieuwsgierige Madrilenen, die in ruil voor een rondleiding een bijdrage in de bouwkas storten. Zelfs de bisschop - van het nabijgelegen Alcalá - is al twee keer op bezoek geweest. Hem zal Justo het gebouw schenken. Dat het bisdom al aan de pers heeft gezegd geen pastorale noodzaak voor het gebouw te zien, schrikt hem niet af. Als het klaar is, zullen ze er wat blij mee zijn, daar rekent hij op.

Veel tijd om daarover na te denken heeft hij bovendien niet. Zijn twee hulpjes moeten voor het middageten een levensgroot olievat gevuld met water omhoog krijgen. “Hoe dan”, steunen zij verbaasd. Justo mompelt zijn orders. Even later hijsen ze met touwen gebutste verfblikken vol water omhoog, onder toeziend oog van Justo. Ongeveer zo moet het eeuwen geleden ook zijn toegegaan bij de bouw van kathedralen. Even langzaam, even inefficiënt, even onverstoorbaar en met het oog slechts gericht op de eeuwigheid.

    • Jinke Obbema