Biennale geopend: meer belangstelling dan ooit

VENETIE, 14 JUNI. Op de gisteren geopende 45ste Biennale herinnert de Rus Ilja Kabakov nog even fijntjes aan de Sovjet-illusies van weleer. Regimenten rukken op. In een gestaalde cadans roffelen trommels en tetteren trompetten. Terwijl zich op de lagune van Venetië complete volksverhuizingen afspelen, klinkt vanaf de oever de overwinningsmuziek der revolutionairen. Kabakov bouwde in de tuin van het Russische paviljoen een zuurstokroze Hans-en-Grietje-huisje, bezaaid met communistisch snoepgoed als rode vlaggen en sterren. Het huisje heeft alleen twee luidsprekers en die niet aflatende, triomfantelijke marsmuziek te bieden. Het paviljoen zelf, binnen en buiten in de steigers gezet, is failliet verklaard. Er slingeren wat halfvolle verfpotten rond, wat rotte planken en gereedschap, maar er is blijkbaar geen sterveling te vinden die het karwei afmaakt.

“U moet dit zien als een feest dat een onderdeel is van een groter feest”, spot Kabakov. “De festiviteiten zijn al in 1914 begonnen”. Nee, over de Biennale laat hij zich niet uit. “Een Biennale is een grote dierentuin met kooien waarin zich iets exotisch verschuilt dat de bezoeker zelf maar moet ontdekken”.

Meer kunstenaars, conservatoren en journalisten dan ooit tevoren hebben de afgelopen dagen de landenpaviljoens, de pleinen, de palazzi en de musea bezocht waar honderden kunstenaars uit 50 landen hun werk presenteren.

Liz Taylor was ook ergens in de stad om een tentoonstelling over het thema Aids in de nieuwe vleugel van het Guggenheim-museum te openen. Alleen een select gezelschap mocht een glimp van haar opvangen. De volgende dag liet ze de Italiaanse president en een paar duizend genodigden bij de opening van de Biennale vergeefs wachten.

De Akense chocoladefabrikant en monster-collectioneur Ludwig struint onvermoeibaar in hemdsmouwen al dagen het terrein af. Helaas is niet te verstaan wat hij bij voortduring in zijn memofoon mompelt. Maar hij kocht wél enthousiast de catalogus van de Brit Richard Hamilton.

Tussen het lover van het Biennale-park wapperen mislukte pogingen van "action painting" en overbodige plastic zakken vol gekleurde vloeistof. Mannen in Armani-pakken kletsen druk gebarend in een zaktelefoon. De bijna compleet geblinddoekte Amerikaanse kunstenaar James L. Byars probeert, in gouden kostuum gestoken, de show te stelen, maar menigeen zoekt liever in de vijvers naar kikkervisjes.

Nog liever trekt men zich even terug in het paviljoen van Israel, waar Avita Geva, aanvankelijk een kunstenaar maar nu een wetenschapper, in drie aaneengeregen kassen een vernuftig eco-laboratorium liet nabouwen. Het door voedsel en afvalstoffen vervuilde bassinwater waarin vijf onzichtbare vissoorten onophoudelijk worden besproeid, wordt iets verderop weer schoon gefilterd, zodat in de volgende kas uit nu nog geel bebloemde planten straks komkommers van uitzonderlijke lengte te voorschijn komen.

Iets verderop klinkt applaus. “Ze is een toonbeeld van elegantie” zegt een vrouwenstem, “een feministe in hart en nieren, een ontegenzeggelijk Amerikaans genie dat universele kunst maakt”. Opnieuw applaus. Televisiecamera's registreren een comité op het bordes van het Amerikaanse paviljoen, maar de Amerikaanse beeldhouwster Louise Bourgeois, die achter de gevel haar recente, fysiek navoelbare beelden van rubber en marmer tentoonstelt, is zelf rustig in New York gebleven. In de catalogus schrijft ze vooral blij te zijn dat ze onopgemerkt en ongestoord 40 jaar lang heeft kunnen doorwerken.

Het Franse paviljoen, dat de bekroonde Franse kunstenaar Jean-Pierre Raynaud tot in de nok bepleisterde met 15.500 spierwitte tegels, waarop alsmaar dezelfde gefotografeerde doodskop staat afgebeeld, verstrekt zo royaal papieren draagtassen dat behalve Liz Taylor en Ludwig bijna iedereen met een schedel op de heup door de stad slentert.

Deze Biennale, die vooral de "cardinal points of the art" wil aanstippen, concentreert zich wat de eerste toeschouwers betreft, eerder op "cardinal"-kunstenaars zoals Louise Bourgeois, Hans Haacke, Joseph Kosuth, Miroslaw Balka en de Japanse "grand old lady" Yayoi Kusama, die verkleed als tovenares in een pakje en hoge hoed vol polkadots aan een ieder houten meloentjes uitdeelt. Ze zegt dat ze haar leven lang al bang is voor fallussen. Door complete roeiboten, fauteuils en reliëfs uit ontelbare fallussen van heftig gekleurd textiel samen te stellen, wil ze haar angst overwinnen. Een therapie die resulteerde in het meest feestelijke landenpaviljoen van deze Biennale.

Sommige Hongaren vinden het onterecht dat de Amerikaan Joseph Kosuth met zijn typografisch perfect vormgegeven citaten het Hongaarse paviljoen bewoont. Daarmee wordt weliswaar tegemoetgekomen aan het door de Biennale-president Oliva gepredikte "transnationalisme", maar “het enige Hongaarse aan hem is zijn naam"", aldus een conservator uit Budapest. Op de vraag aan Kosuth wat hij eigenlijk wil zeggen met al die zinsneden - van Voltaire tot Kafka - antwoordde hij opnieuw met een citaat, dit keer van Jung. Het kwam erop neer dat als je iets begrijpt, de lol ervan af is. Ook dat viel niet in goede aarde bij de Hongaren die in de kelder alsnog de schrootinstrumenten van hun landgenoot Viktor Lois tentoonstellen. Wastrommels en autocasco's brengen roterend een symfonie van dierentuingeluiden voort - de lokatie waar Kabakov het al over had.

Trokken de met fotografische precisie geschilderde doeken van de nu bekroonde Brit Richard Hamilton aanvankelijk weinig aandacht, in het onderscheiden Duitse paviljoen kreeg de door geruchten aanzwellende stroom bezoekers koude rillingen van wat Hans Haacke had uitgevoerd. Bij de ingang hing hij een grote foto uit 1934 op van Hitler die op dat moment het Duitse Biennale-paviljoen verlaat. Lopen we vervolgens achter die fotowand om naar binnen, dan blijkt daar de totale zandkleurige stenen vloer in duizend stukken te zijn gehakt, het onafzienbare puin dat de nazi's achterlieten.

Komen er nog genoeg schilders aan bod op de enigszins onsamenhangende thematentoonstelling in de Giardini - Sigmar Polke, Georg Baselitz en Per Kirkeby bijvoorbeeld -, op de Aperto pakt de aanstormende generatie uit met grootschalige installaties waarin een Landrover, een rinoceros, video's vol fitness bedrijvende dames en een in perspex gegoten dode koe plus kalf figureren. De schilderkunst is hier "not done', Toch ging de Aperto-prijs naar de Brit Matthew Barney voor diens minimale foto's van zijn als stoeiende satyrs verklede heren. Janine Antoni uit New York maakte afgietsels van haar gezicht in zeep en bittere chocolade. Afgietsels die ze later door er langdurig over te wrijven weer aardig misvormde.

Het is de Japanner Yukinori Yanagi die het Biennale-thema "transnationalisme" perfect gestalte heeft weten te geven. Hij vulde meer dan 150 perspex A4-doosjes met gekleurd zand die elk een andere nationale vlag laten zien. Pas als je dichterbij komt, blijkt dat er tussen de twee wanden dekkende doosjes plastic leidingen lopen waarin een legioen van levende werkmieren zandkorrels versjouwt van de ene naar de volgende natie. De mieren, lokaal in dienst genomen, hebben in drie dagen al kans gezien om via hun geniale gangenbouw menige landsvlag van aanzien te veranderen. Aan het eind van de Biennale en diverse mierengeneraties verder, hangen er onherkenbare identieke doosjes aan de wand, een eensgezind "global village".

Meeste tentoonstellingen tot 10 oktober. Dag. 11-18 u. Dinsdag zijn de meeste lokaties dicht.

    • Marianne Vermeijden