Witte jassen met blauwe boorden

De aftrek van premies/koopsommen voor lijfrentes (periodieke uitkeringen voor de oude dag of nabestaanden) is verdeeld in tranches (delen). De grens voor de eerste tranche, open voor iedereen, ligt voor 1993 op 5.351 gulden per persoon en 10.702 voor gehuwden/samenwonenden. Men verzekert die rente als aanvulling op een (nabestaanden)pensioen en/of de AOW.

Voor wie niet voldoende op kan bouwen met deze basis, is een aanvullende aftrek (tweede tranche) toegestaan, zelfs een derde voor echte achterblijvers. In alle gevallen geldt de hoofdregel dat het moet gaan om een verzekering bij een verzekeraar gevastigd in Nederland.

Moet je ongeremd gebruik maken van deze aftrek of juist niet? Een medische specialist schrijft: 'Ik word overspoeld met folders van maatschappijen die gratis willen berekenen hoe groot mijn fiscale ruimte is. Bij mij en vele collega's zal blijken dat die er is, ondanks de al lopende vóór 16 oktober 1990 afgesloten verzekeringen waarvoor over 1993 18.685 gulden afgetrokken mag worden. Die extra ruimte en betaling aan de verzekeraar kan oplopen tot 30 duizend gulden, in theorie tot 53.509 gulden in de tweede tranche plus 10.702 in de derde.

Dan sluipt de twijfel op kousevoeten naderbij: "Maar is het verstandig om de maximale aftrek te gebruiken? Enerzijds heb je dat belastingvoordeel van 60 procent, anderzijds zal straks mijn pensioen met hetzelfde tarief worden belast. En bij snel overlijden na de pensioendatum boekt de verzekeraar winst.'

Bovendien zit hij nog meer beren op de weg. De fiscus wil een betaling van gelijke premies voor een langere termijn. Kan een medicus dat op blijven brengen als de overheid de omzetten in die branche wil drukken en de witte jassen liever met een blauw boordje ziet?

Als je geen extra lijfrente neemt, wat doe je dan met die besparingen, op een fiscaal voordelige manier? Beleggen in een onbelast (vermogens)groeifonds? Wat is de grote lijn?, besluit de briefschrijver.

Zal een fiscalist raad weten met deze twijfels? 'Natuurlijk wel', reageert J. Booij FB, woordvoerder van de Nederlandse Federatie van Belastingadviseurs', het gaat om een analyse, een echte afweging van voor- en nadelen. Is die lijfrente nodig voor de oudedagsvoorziening? Als mensen hun overheidspensioen AOW, particuliere pensioenen (collectieve regelingen of zelf afgesloten lijfrenten) en opbrengsten uit vermogen eens bij elkaar optellen, zal blijken dat ze met de uitkomst tevreden kunnen zijn. Bovendien kan je het vermogen zelf ook tijdens de derde jeugd opsouperen. Voor dat doel is het toch gevormd!'

De FB-woordvoerder heeft een duidelijke mening over de rol van verzekeraars (goed in het tegen premiebetaling overnemen van risico's die een eenling niet kan dragen) en de manier waarop ze klanten bespelen.

'Die tranches zijn een verhaal apart. Iedereen wil nu eenmaal graag fiscaal slim zijn. De verzekeringsmaatschappijen spelen in hun campagnes op die gevoelens in. De extra tranches twee en drie, die nota bene moeten worden verworven door aan te tonen dat men te weinig oudedagsvoorziening heeft opgebouwd (negatieve bewijsvoering!) wordt het publiek als een worst voorgehouden.'

Ook beaamt Booij dat de fiscale aantrekkelijkheid verloren gaat als je nu 60 procent aftrekt bij betaling en straks 60 procent betaalt over de uitkeringen. Toch is er een voordeel. 'Wèl blijft als positief element overeind de financiering door de fiscus: je betaalt 10.000 gulden aan een verzekeraar, die dat gaat beleggen, maar investeert in feite 4.000, vanwege de 6.000 belastingvermindering', besluit de FB-woordvoerder.

Hoe beleg je wanneer je extra geen lijfrente neemt? Daar zijn een paar grote lijnen voor aan te geven. Een groeifonds geeft beslist geen onbelast rendement, maar betaalt circa 35 procent vennootschapsbelasting en keert geen winst uit aan deelnemers. Daarom loopt de koers van zo'n fonds op, mits hun beleggingen niet in waarde dalen.

De koerswinst is voor deelnemers onbelast. 'In plaats van 60 procent IB, betaalt uw 35 procent', zeggen exploitanten van deze fondsen. Dat is onjuist. Velen hebben zoveel aftrekposten dat ze eerder op 50 dan 60 procent zitten. Ook maakt het fonds (zeer summier gespecificeerde in het jaarverslag) kosten, die eveneens afgaan van de winst. Voorbeeld: een opbrengst van 110 miljoen gulden rente en 20 miljoen kosten. Fondsbeheerder, in een blauwe jas met spierwit boordje, is een (h)eerlijk beroep.

Hoe beleg je dan? Dat hangt af van de persoonlijke balans. Nog een vuistregel tot slot: van het aflossen van schulden is nog nooit iemand armer geworden, behalve misschien de uitlener van het geld.