Voormalig Joegoslavië maakt ook slachtoffers onder journalisten; Uitdaging van nieuwe oorlogsverslaggeving; Computertechnologie leek de infanterieoorlog overbodig te hebben gemaakt; In anderhalf jaar zijn al meer verslaggevers om het leven gekomen da...

Vroeger was het allemaal veel overzichtelijker. Tot de Vietnamoorlog kenden we eigenlijk maar één categorie oorlogsverslaggeving: de conformistische. De journalist aan het front vereenzelvigde zich met "zijn' soldaten, die in de eerste plaats land- of bondgenoten waren en - dus - een "goede oorlog' vochten. Censuur, chantage en officiële leugens hielden eventuele dwarsliggende oorlogscorrespondenten in toom.

De vox populi dorstte in de hitte van de strijd sowieso niet naar waarheid, maar naar patriottische gelijkvormigheid. De pers was doorgaans bereid aan die wens te voldoen. Oorlogsverslaggeving was de voortzetting van politiek met andere middelen. In dat klimaat kregen de eigen propaganda- en gruwelverhalen over de vijand alle ruimte. "When war comes the first casualty is truth', luidt de gevleugelde uitspraak van de Amerikaanse senator Hiram Johnson uit 1917.

Het Vietnamconflict, de eerste openbare oorlog, veranderde die meegaande houding. Naarmate de tijd vorderde begonnen, voor het eerst, de Amerikaanse media de rechtvaardigheid van een door eigen soldaten gevoerde oorlog op ethische en politieke gronden in twijfel te trekken. Vrijwel unaniem werd geroepen om de Amerikaanse aftocht uit Vietnam. Daarin slaagde de pers zo goed, dat de vertrouwensband met politici en militairen voorlopig flink was verziekt.

Tijdens de Falklandsoorlog (1982), de interventie in Panama (1989) en operatie Desert Storm werden journalisten dan ook zo ver mogelijk van het strijdgewoel gehouden. Ze kwamen op oorlogsschepen terecht of werden gedegradeerd tot hotel warriors. De oorlog was weer een geregisseerde happening geworden. Slechts mondjesmaat kreeg een select gezelschap informatie voorgeschoteld, spectaculaire sound bytes op video en kant en klaar voor uitzending. Computer graphics en miniatuur-slagveldjes maakten de oorlog voor de televisiekijker aanschouwelijk als er geen "echte' beelden waren.

Zo'n vaart zal het bij ons wel niet lopen. Doorgaans zijn we in Nederland op het gebied van militaire zaken en uiterlijkheden toch wat terughoudender. Een flauw aftreksel van de Golf-maquette dook nog op in een van de Nederlandse actualiteitenrubrieken, maar niet voor lang. De deelnemers aan het publieke debat over ingrijpen in voormalig Joegoslavië hanteren bij voorkeur begrippen als "acceptabel veiligheidsrisico', morele noodzaak, politieke wenselijkheid en - met het oog op de huidige inkrimpingen - praktische haalbaarheid. Een zekere gêne wordt voelbaar als de mogelijkheid en concrete uitvoering van militaire interventie ter sprake komt. Een verwijzing naar "body bags op Schiphol' wordt al snel onkies en demagogisch gevonden. Verhullend taalgebruik moet de werkelijkheid toedekken. Die werkelijkheid is dat ook vredesoperaties slachtoffers kunnen eisen.

Stammen- of bendenoorlogen, en in essentie is de huidige burgeroorlog in voormalig Joegoslavië dat, teisteren al decennia lang de Derde wereld. Dergelijke bloedige conflicten trokken hier echter meestal weinig aandacht omdat ze zich afspeelden in de marge van de "echte' wereldpolitiek. Met het einde van de Koude Oorlog worden vergeelde slogans als "crisisbeheersing' en peace-keeping afgestoft en nieuw leven ingeblazen. Het aantal VN-vredesoperaties neemt snel toe en het Westen raakt in meer slepende conflicten in "de periferie' verzeild: Cambodja, Angola, Somalië en, natuurlijk, ex-Joegoslavië. Die stellen de oorlogsverslaggever voor nieuwe uitdagingen en vereisen, als tijdens de Vietnamoorlog, een herijking van journalistieke waarden.

Wat als eerste opvalt is de onoverzichtelijkheid van het nieuwe journalistieke werkterrein. In de periode van de Koude Oorlog was het gemakkelijker om partij te kiezen, of "goed' en "fout' te identificeren. De keuze naar wie nu ter plaatse de sympathie moet uitgaan stelt de verslaggever echter voor een onoplosbaar dilemma. Een "eigen' partij ontbreekt immers - of het moeten landgenoten in dienst van de Verenigde Naties zijn. Het geduld waarmee de VN'ers tussen de strijdgroepen door laveren verdient en krijgt respect, ook in de pers. Maar de taken die ze vervullen zijn toch eerder frustrerend dan herosch. De strijdende partijen zelf - met in hun midden roversbendes, verkrachters, kampbewakers en massamoordenaars - roepen slechts afkeer op.

Eigenlijk blijft er - als voor de VN-soldaten - maar één alternatief over, één reden om te blijven: partij kiezen voor de underdog - de burgerbevolking van Bosnië-Herzegovina. Het tonen en verpersoonlijken van hun leed is inmiddels de kern geworden van de oorlogsverslaggeving uit ex-Joegoslavië.

Die emotionele keuze voor de zwakkere betekent in wezen automatisch ook de keuze voor buitenlandse militaire interventie, om humanitaire redenen. En hier treedt het Catch-22-mechanisme in werking. Want als geen ander kennen de journalisten de compromisloze mentaliteit ter plaatse, de diepe emotionele wonden en de complexiteit van het etnische vraagstuk en weten ze dat zo'n interventie - zeker op de langere termijn - slechts averechts kan werken.

De werkelijkheid en complexiteit laten zich moeilijk overbrengen op het publiek. Cambodja, Somalië, Angola en Joegoslavië: ze zijn volstrekt onwezenlijk van karakter. De burgeroorlog in Joegoslavië is een voortzetting van de Tweede Wereldoorlog. Het zijn dezelfde vijanden die trachten af te maken wat hun ouders vijftig jaar geleden deden en wat hun verre voorouders een half millenium geleden zijn begonnen. Zelfs oude rotten in het vak, gehard in Vietnam, Libanon en Afghanistan, weten niet wat ze met de zinloze absurditeit van Joegoslavië aanmoeten.

Hoe leg je dat uit aan een zappend, voyeuristisch televisie-publiek dat geboeid wil worden en zich wil identificeren met helden en slachtoffers? Niet voor niets voert CNN als slogan: "Real life, real drama' en behandelt een in depth-report de historische achtergronden van het Joegoslavische conflict in welgeteld vijf minuten. Informatieverzadiging en teveel bloedige beelden zijn slecht voor business. Voor de nuance is geen ruimte meer.

Oorlogsverslaggeving is een riskante bezigheid gebleven. Na Desert Storm heerste een zekere euforie. Computertechnologie leek de infanterieoorlog overbodig te hebben gemaakt. De Nintendo-war was duur in materieel, maar goedkoop in mensenlevens - ook die van journalisten. Was dit niet de politieke oplossing voor de toekomst? De euforie is inmiddels verdwenen. Oorlogen als die in Joegoslavië en Cambodja tonen de limieten van de "oorlog per afstandsbediening'. Patriots of kruisraketten hebben er - letterlijk - niets te zoeken. Het zijn de oorlogen van sluipmoordenaars, mijnen en mortierinslagen. Minister Ter Beek en BBC-verslaggever Martin Bell kunnen daarover meepraten.

Sommige journalisten stellen zich vrij terughoudend op bij het bijwonen van gevechtshandelingen. Aan het andere uiterste van het mediaspectrum in ex-Joegoslavië vindt men de roekelozen. En dan zijn er nog de zogenoemde stringers, onderbetaalde beginners die als boodschappenjongens de echt gevaarlijke dingen doen in de hoop daarmee een vaste baan af te dwingen.

De meeste oorlogsverslaggevers zoeken echter een compromis tussen die twee uitersten. Ze proberen een tolerantiegrens voor geweld en gevaar te vinden die nog draaglijk is. BBC-reporter Misha "Gloomy' Glenny gaf eerlijk toe "that I chickened out of Vukovar', één dag voordat dit Oostkroatische stadje door federale strijdkrachten en Servische milities werd uitgemoord en met de grond gelijk gemaakt. Glenny maakte waarschijnlijk de juiste keuze: ooggetuigen konden de Serviërs bij hun slachtpartij niet gebruiken.

Dat neemt niet weg dat Joegoslavië de oorlog is van de stervende journalisten: in anderhalf jaar zijn al meer verslaggevers om het leven gekomen dan gedurende de hele Vietnamoorlog. De meesten waren fotografen en lokale verslaggevers.

De verklaring voor het hoge dodencijfer ligt voor de hand. Vroeger hield de journalist zich bij voorkeur aan de "veilige' zijde van de, duidelijk als zodanig herkenbare, frontlijn op. Nu begeeft hij zich tussen de strijdende partijen en kan de frontlijn na elke volgende bocht beginnen of ophouden.

Serviërs, Kroaten en Moslims, ze hebben allemaal hun redenen om journalisten te haten. De botte propaganda van staatszenders als TV-Zagreb en TV-Belgrado hitst de strijders nog verder op. “Ze hebben geen idee wie je bent, voor wie je werkt; ze weten alleen: Wanneer ik een cameraman zie schiet ik hem neer”, aldus Visnews-filmmaker Dragan Havzijevic. Bovendien zijn ze, in het militaire jargon, soft targets, gemakkelijke doelwitten. Ook een modern kevlar-vest is slechts kogelwerend, en niet kogelvrij.

    • C.P.M. Klep