Van euforie over de rechten van de mens is niets meer over

Maandag begint onder auspiciën van de VN in Wenen de Internationale Conferentie over de Rechten van de Mens, waaraan 180 landen en duizenden particuliere belangengroepen deelnemen. In een wereld zonder ideologieën zou eindelijk plaats zijn voor een neutraal en en effectief mensenrechtenbeleid, was de redenering. Maar "Joegoslavië' heeft de euforie getemperd. En de Oost-West-tegenstelling is vervangen door het Noord-Zuid-conflict.

Tot de val van het communisme bepaalden de ideologische tegenstellingen tussen Oost en West de mondiale ruzies over de rechten van de mens. Het complete Oostblok deed jarenlang elke kritiek op inperking van de vrijheid van meningsuiting af als "inmenging in de binnenlandse aangelegenheden' en de twee machtsblokken stemden hun mensenrechtenbeleid rechtstreeks af op hun ideologische vijanden. Na de val van de Muur leek het vanzelfsprekend dat daar een einde aan zou komen. In een wereld zonder ideologieën zou eindelijk plaats zijn voor een neutraal, evenwichtig en effectief mensenrechtenbeleid. De Verenigde Naties, opsteller van de Universele Verklaring van de rechten van de mens, zouden een geweldige stap voorwaarts kunnen doen.

Zo ongeveer moet men bij de VN gedacht hebben toen in 1989 het idee ontstond weer een World Conference on Human Rights (WCHR) te organiseren. De vorige VN-conferentie over de rechten van de mens had in 1968 plaats in een circusachtig tentenkamp in het Teheran van de sjah. De tijd leek nu rijp voor een plechtige bijeenkomst, waarop de universaliteit van de rechten van de mens nog eens krachtig zou worden bevestigd. De Algemene Vergadering van de VN ging in 1990 akkoord en de voorbereidingen konden beginnen. Maandag is het zover. Honderdtachtig landen en ruim duizend non-gouvernementele organisaties (zogeheten NGO's) als Amnesty International, Helsinki Watch, de Internationale Liga voor de rechten van de mens, de International Commission of Jurists en Asia Watch nemen Wenen twaalf dagen in bezit voor een mensenrechten-mediacircus, dat in omvang vergelijkbaar is met de VN-milieuconferentie van vorig jaar in Rio de Janeiro. De NGO's mogen deelnemen aan de conferentie, en organiseren aan de vooravond zelf een eigen tweedaagse "mensenrechtenshow'.

Wat in 1989 nog een goed idee leek, roept nu twijfel en scepsis op. De euforie over de rechten van de mens is verdwenen. Joegoslavië bracht oorlog, etnische zuiveringen en massamoorden voor het eerst sinds vijftig jaar weer binnen de grenzen van Europa. En de Oost-West-tegenstelling is moeiteloos vervangen door het Noord-Zuidconflict. Drie regionale voorbereidende vergaderingen, in Azië, Afrika en Zuid-Amerika, brachten de eerste fundamentele meningsverschillen aan het licht. Na moeizaam onderhandelen werd men het eens over een voorlopige agenda, die uitblinkt door vaagheid: er is aandacht voor het Internationale jaar voor inheemse volkeren en voor de rechten van de vrouw, men bekijkt welke voortgang er is geboekt sinds de aanvaarding van de Universele Verklaring van de rechten van de mens in 1948, en zal zich buigen over de relatie tussen ontwikkeling, democratie en mensenrechten, uitgaande van de ondeelbaarheid van economische, sociale, culturele, burger- en politieke rechten.

Bij dat laatste punt schuilt een heel nest adders onder het gras. Niet alleen de universaliteit van de verschillende rechten van de mens is in het geding, maar ook de legitimiteit van bemoeienis met misstanden. In Genève bekvecht men nu al wekenlang over een slotdocument, dat nog zoveel omstreden passages bevat, dat menigeen zich afvraagt of de conferentie niet een stap terug in plaats van een sprong voorwaarts worden zal.

“Een mislukte conferentie is erger dan geen conferentie”, zegt Peter Baehr, hoogleraar mensenrechten en directeur van het Studie- en Informatiecentrum Mensenrechten in Utrecht. “Of het met de val van de muur te maken heeft is moeilijk te zeggen, maar het is een feit dat de tegenstelling noord-zuid de laatste jaren verscherpt is. Zuid, en ik doel dan met name op Azië en het Midden-Oosten, wordt steeds mondiger op het gebied van de mensenrechten, en bepaald niet altijd in gunstige zin. Maar ik ben sinds het uiteenvallen van de Sovjet-Unie heel voorzichtig geworden met voorspellingen. Dat had ook niemand voorzien, dus wie weet wat er in Azië nog staat te gebeuren.”

Ook Amnesty International, voor de VN een van de belangrijkste leveranciers van informatie over schendingen van de rechten van de mens, sloeg al spoedig alarm. Als regeringen niet ingrijpen, aldus een open brief van Amnesty's secretaris-generaal, zou de klok weleens kunnen worden teruggedraaid. “In het ergste geval zal (de conferentie - red.) het uitgangspunt ondermijnen dat mensenrechten universeel en ondeelbaar zijn en het internationale systeem uithollen, dat is opgezet om de mensenrechten te beschermen”, waarschuwde de organisatie. Waar liggen precies de voetangels en klemmen?

Nieuw zijn de conflicten niet. Ze concentreren zich in feite op het spanningsveld tussen individuele en collectieve rechten, en tussen burger- en politieke rechten enerzijds en sociaal-economische rechten anderzijds. Zijn er situaties denkbaar waarbij de rechten van een volk, een stam, een staat, boven het recht van het individu uitstijgen? En is de nadruk op de rechten van het individu niet een typisch Westers exportartikel, voortspruitend uit een comfortabele positie van welvaart en democratie?

Uit de Universele Verklaring van de rechten van de mens zijn in 1966 twee belangrijke mensenrechtenverdragen voortgekomen, het verdrag over burger- en politieke rechten en het verdrag over economische, sociale en culturele rechten. Voor regeringen bestaat er een wezenlijk verschil tussen beide verdragen. Het eerste verbiedt hen in feite hun burgers kwaad te berokkenen (het verbod op martelingen, illegale arrestatie, slavernij, censuur, beperking in vrijheid van meningsuiting en bewegingsvrijheid), het tweede verplicht staten de burgers het recht op arbeid, gezondheidszorg, onderwijs en dergelijke te garanderen. Voor de Universele Verklaring zijn alle rechten van de mens even belangrijk. Maar in de Westerse landen, die lange tijd de toon aangaven in het mensenrechtendebat, ligt de nadruk traditioneel op de klassieke grondrechten, de burger- en politieke rechten, die ook gemakkelijker zijn af te dwingen. De Derde wereld daarentegen beschouwt de burger- en politieke rechten als een luxeprobleem en hamert voornamelijk op de sociaal-economische rechten, waarbij de schuld voor de economische malaise traditiegetrouw bij de vroegere koloniale overheersers wordt gelegd.

Heeft het voormalige Oostblok, een flink deel van de Sovjet-Unie incluis, zich inmiddels het Westerse standpunt eigengemaakt, nu protesteren landen als India, Pakistan, Indonesië, China en Irak steeds luider tegen inmenging in hun binnenlandse aangelegenheden. Ze wijzen bij voortduring op de culturele verschillen, die de universaliteit van de mensenrechten in twijfel trekken. Zo kwam de Aziatische voorbereidende conferentie in haar Bangkok-verklaring in april onder meer tot de conclusie dat de rechten van de mens niet als een instrument van politieke druk mogen dienen en niet mogen worden gebruikt als voorwaarde voor het geven van ontwikkelingshulp, dat geen vreemde waarden mogen worden opgelegd, dat de bevordering van mensenrechten in eerste instantie een staatsaangelegenheid is (een waarschuwing aan het adres van oppositiegroepen) en dat het recht op zelfbeschikking slechts betrekking heeft op volkeren, die onder het koloniale juk zuchten, maar niet gebruikt mag worden om de territoriale integriteit en onafhankelijkheid van staten te ondermijnen. Zulke uitspraken bieden conflictstof te over voor de Wereldconferentie.

De Nederlandse delegatie naar de Wereldconferentie staat onder leiding van minister Kooijmans, maar de dagelijkse leiding is in handen van de jurist Cees Flinterman, wetenschappelijk medewerker aan de universiteit van Maastricht en voorzitter van de Adviescommissie Mensenrechten van de minister van buitenlandse zaken. Ook hij is zich bewust van het gevaar dat aan het mensenrechtenerfgoed, 45 jaar na de aanvaarding van de Universele Verklaring, zal worden getornd, maar in doomsday-scenario's gelooft hij niet. Het Westen heeft koudwatervrees. “Wij zijn erg dogmatisch in dat opzicht. Meer begrip voor de collectieve rechten betekent niet automatisch dat de individuele rechten worden ondermijnd. Tussen Noord en Zuid bestaat, anders dan tussen Oost en West vroeger, geen ideologisch conflict. 'Zuid' is niet monolithisch. Overigens wijkt onze opvatting van mensenrechten ook sterk af van die in de Verenigde Staten. Voor ons zijn burger- en politieke rechten en sociaal-economische rechten één geheel, de Amerikanen leggen de nadruk uitsluitend op de burger- en politieke rechten.” Hoewel er volgens Flinterman dus geen reden tot paniek is, is het van het grootste belang dat bewaard wordt wat bereikt is. “Landen kunnen zich niet meer verschuilen achter hun soevereiniteit. De mensenrechtencatalogus is steeds precieser gedetermineerd. Ik vind het fascinerend dat staten kunnen worden bekritiseerd op basis van universeel aanvaarde normen. Vergeleken met vijftig jaar geleden is dat een enorme vooruitgang. Onze politieke inzet moet zijn dat we de landen die dwarsliggen in bedwang weten te houden en daarvoor is grote onderhandelingsvaardigheid vereist.”

Flinterman vindt dat het debat sinds de val van het communisme opener en eerlijker is geworden. De ideologische tegenstellingen zijn weggevallen. “Ik heb ook nooit bewondering gehad voor Reagans mensenrechtenbeleid. Het was hypocriet, hard, ideologisch en selectief. In de Sovjet-Unie en Oost-Europa is de rol van de dissidenten buitengewoon belangrijk geweest. Ik geloof niet dat de ontwikkelingen uitsluitend aan economische factoren zijn toe te schrijven. Je hebt mensen nodig die intellectuele verantwoordelijkheid nemen. Ik geloof in de kracht van de rede.”

Hoewel Peter Baehr pessimistisch is over de Wereldconferentie, signaleert hij wel dat de rechten van de mens wereldwijd hoog op de agenda staan. Onlangs kreeg hij nog bezoek van een delegatie uit Albanië, die bezig was met de opstelling van een nieuwe grondwet. “De Oosteuropeanen staan te trappelen om zich aan te sluiten bij de mensenrechtenverdragen.” Dat later weleens zou kunnen blijken dat de conferentie in Wenen een keerpunt is geweest, verwacht Baehr niet. Niemand kan zich een totaal mislukken van de conferentie veroorloven, aldus de politicoloog. “Het zijn altijd regeringen die roepen over ándere normen en waarden. Maar zij weerspiegelen lang niet altijd wat er leeft in de maatschappij. We moeten de Gideonsbenden in die landen blijven steunen, zoals vroeger de dissidenten in de Sovjet-Unie. Zij zijn het uiteindelijk die moeten voorkomen dat de balans naar de verkeerde kant doorslaat.”