Van de geschiedenis word je goedkoop wijs

Na lezing van "Kortsluiting' - dat uitstekende journalistieke verslag van de missers van de Philips-top in de afgelopen tien jaar - heb ik enige ondernemers geadviseerd een paar tientjes in het boek te investeren onder het motto: van andermans schade en schande word je goedkoop wijs.

Eigenlijk is daarmee al een afdoend antwoord gegeven aan degenen die zich afvragen of het schoolvak geschiedenis maatschappelijk wel relevant is. Het menselijk gedrag vormt immers altijd boeiende leerstof, om het even of het van gisteren of van duizend jaar geleden is.

Voor de apostelen van de sociale nuttigheid lijkt plezier in de studie van de geschiedenis echter verdacht en allerminst een aanbeveling. Wie van de geschiedenis niets wil weten, komt er ook niet achter dat de denkwereld van de maatschappelijke relevantie verrassend dicht staat bij die van de vader van het utilitarisme, Jeremy Bentham (1748-1832), die het algemeen nut hanteerde als toetssteen voor de juistheid van elk menselijk handelen. Diens ideeën, hoe zinvol wellicht voor de voortschrijdende ontwikkeling van het menselijk denken, worden thans toch wel als achterhaald beschouwd.

De overeenkomst in gedachtengang tussen hen die de eis van maatschappelijke relevantie aan het geschiedenisonderwijs stellen en vervolgens de aanwezigheid daarvan ontkennen, en Jeremy Bentham en zijn volgelingen, die evenmin belangstelling hadden voor de idee van de ontwikkeling en zich van de geschiedenis isoleerden, is zo treffend dat men al gauw geneigd zal zijn tot de gedachte: "zie je wel er is niets nieuws onder de zon'. Dat is evenwel een oppervlakkige en daarom gevaarlijke constatering. Letterlijk genomen is het natuurlijk onzin: want elke dag met al zijn gebeurlijkheden brengt iets dat er tevoren niet was en dus iets geheel nieuws. Het lijkt alleen steeds hetzelfde nieuws. Dat die schijnbaar eindeloze herhaling van zetten soms door nieuwe varianten wordt onderbroken zodat er toch iets van een ontwikkelingsgang te bespeuren valt, maakt het menselijk bestaan nu juist zo boeiend. Maar om te weten wat het nieuwe is, moet je het oude kennen. Het ontrafelen van die draad is voor mij de kern van het leerproces van de geschiedenis. De geschiedenis zet je zo aan het denken.

Op mij oefent het déjà vu de grootste bekoring uit, zowel in als buiten mijn vakgebied, de fiscaliteit. Als ik met het verleden bezig ben zoek ik naar een parallel in het heden en omgekeerd. In de zestiende eeuw hadden sommige Franse koningen er een handje van de belastingopbrengst uit te hollen door bepaalde tollen aan hun meest geliefde matresses weg te schenken, wier erfgenamen nog lange tijd een financieel opgewekt bestaan van de tolopbrengsten konden leiden dankzij de vorstelijke vrijgevigheid, ook al waren de beweegredenen daarvoor inmiddels in vergetelheid geraakt. Onwillekeurig denk je dan aan sommige belastingvrijstellingen, bijvoorbeeld die welke NV's en BV's genieten voorzover ze in de sociale woningbouw investeren. Bij de bouwenquête die de Tweede Kamer enige jaren geleden hield, bleek dat het ministerie van volkshuisvesting niet eens (meer) wist dat deze fiscale subsidie bestond.

Frans I (1515-1547) leefde op zo'n grote voet, en zijn opvolgers op een niet kleinere, dat in de tweede helft van de zestiende eeuw de Franse staatsschuld tot duizelingwekkende hoogte was gestegen. Daar werd wat op gevonden: omdat de kerk veel rijker was dan nodig voor haar traditionele taken van eredienst, armenzorg en ziekenverpleging werd een groot gedeelte van haar bezittingen tegen exorbitant lage prijzen onteigend waarna de kerk die bezittingen voor de marktwaarde weer kon terugkopen. Zou Lubbers daar het idee vandaan hebben dat hij onlangs lanceerde: een greep in de kas, léés de portefeuille staatsobligaties, van de in zijn ogen te rijke pensioenfondsen om zo de staatsschuld te verminderen?

De afgelopen kwart eeuw hebben onze kranten bol gestaan van discussies of je wel met goed fatsoen in Spanje op vakantie kon gaan, met Chili handel drijven, in Zuid-Afrika een lezing houden. Toen onze voorvaderen in diezelfde tweede helft van de zestiende eeuw bezig waren onze vrijheid op de Spanjaarden te veroveren, waren zij tot op het bot verdeeld over de vraag of het wel geoorloofd was niet alleen boter, kaas en eieren, maar zelfs oorlogsbehoeften aan de Spaanse vijand te verkopen. De Hollandse regenten zagen daar geen been in. Hun redenering was dat als ze geen handel konden drijven ze ook de opstand niet konden financieren. De strenge calvinistische dominees klonk dat als een gruwel in de oren. De ruzies laaiden hoog op. Van de argumenten over en weer zouden de voor- en tegenstanders van de recent gestopte boycot van Zuid-Afrika nog heel wat hebben kunnen opsteken.

Dat de opstandelingen wier zaak er in de jaren tachtig van die eeuw slechter voor stond dan ooit, nog kans zagen heftig te ruziën over de vraag welk gewest de "convoyen en licenten' - een soort in- en uitvoerrechten - mocht innen van zeegaande schepen, zodat Holland en Zeeland daarover bijna met elkaar in een echte oorlog geraakten, zal niet verbazen voor wie heden ten dage de gevechten tussen de verzetsstrijders onderling in een aantal brandhaarden van opstand en onderdrukking gadeslaat. Dat de republiekjes die tezamen de Republiek der Verenigde Nederlanden vormden voortdurend met elkaar aan het harrewarren waren over de handel die elk naar zich wilde halen en over de defensie waarvoor de buren maar moesten opdraaien, is niet vreemd voor wie naar het voortdurend gekrakeel over de verdeling van de lasten en lusten in de Europese Gemeenschap kijkt. Natuurlijk was er destijds ook een notoire dwarsligger bij, toen Zeeland, nu Engeland.

Al die details vormen evenzovele stenen waarmee een mens zijn eigen beeld van het verleden kan bouwen. Maar als de bouwelementen op school niet worden uitgedeeld waar sta je dan als je erachter wilt komen hoe de wereld in elkaar steekt?

    • Ferdinand H.M. Grapperhaus
    • Auteur van het Boek "Alva