"Urbanchek vraagt niet of je moe bent. Dat woord kent hij niet eens'; "Ik maak me niet meer druk om de omstandigheden'; "Hoe harder je zwemt, hoe minder je betalen moet'

De Nederlandse Michael Gross? Bij het aanhoren van die vergelijking wordt zijn verlegenheid nog eens op de proef gesteld. Topzwemmer MARCEL WOUDA is in Amerika zelfverzekerder geworden, maar die weifelende blik op oneindig is de laatste negen maanden niet verdwenen.

Topsport in de Verenigde Staten. Amerikaans studentenkampioen Marcel Wouda traint met meer dan twintig topzwemmers in het futuristische bad van de Michigan University. Onder toeziend oog van de internationaal befaamde zwemtrainer Jon Urbanchek. Recreërende kinderen zwemmen alleen als hun ouders een privébad kunnen betalen. Het bad van de universiteit is voor hen verboden terrein.

Topsport in Nederland. Nationaal kampioen Marcel Wouda zwemt in het subtropisch zwemparadijs in Drachten te midden van spartelende peuters en beginnende bejaarden die zichtbaar doodsangst uitstralen. Wouda heeft op provisorische wijze een eigen baan getrokken, maar verveelde tieners slagen er telkens in zijn trainingsritme te verstoren. Met engelengeduld vraagt hij om ruimte. “Ik maak me niet meer druk om de omstandigheden in Nederland. Hoe beter ik presteer, hoe groter de voorkeursbehandeling.”

Hij spreekt met een licht Amerikaans accent. Een rollende r heeft hij altijd gehad. Zijn ouders komen uit Haarlem, verhuisden nog voor zijn geboorte naar Brabant. De zachte g is nauwelijks te horen. Past ook niet bij een kampioen van twee meter en twee centimeter. Wouda is 21 jaar oud, zeer slank gebouwd. Voormalige DDR-coaches vergeleken hem al met Michael Gross, de Duitse albatros, grossier in gouden plakken. “De enige overeenkomst zijn onze lengte en armwijdte.” Hij beseft dat er heel wat internationale roem voor nodig is om met recht vergeleken te worden met de beste Westduitse zwemmer aller tijden. Gross was op zijn 21ste al aan het afbouwen.

Marcel Wouda staat aan het begin van mogelijk succes. Hij was de enige Nederlandse man die in het olympisch bad van Barcelona zwom. Tevergeefs vroeg hij om een soepelere selectienorm zodat meer jongens naar de Spelen zouden kunnen worden afgevaardigd. De eenzaamheid overschaduwde zijn stijgende vorm. Hij haalde niet eens de troostfinale. Een jaar later heeft hij genoeg zelfkritiek om zijn falen bij zichzelf te zoeken. “Op dit moment zou het me geen reet meer uitmaken, of ik alleen was of niet.” De provinciaal heeft zijn eigen grenzen verlegd. Later doet hij weer afstand van die boude uitspraak. Om zijn weifelende karakter nog eens te benadrukken.

Hij is vorige week teruggekeerd uit Ann Arbor, onder de rook van Detroit. Zomerreces op de campus, waar 35.000 studenten bivakkeren, een derde van het totaal aantal inwoners in het provinciestadje. Wouda traint deze week in Friesland. Logeert bij Ad Roskam, het bestuurslid zwemmen van de KNZB, in het dorpje Tietjerk. Gelegen tussen Leeuwarden en Drachten, de twee locaties waar Marcel Wouda baantjes trekt. 's Morgens in de Friese hoofdstad waar Roskam zwemclub Orca traint. 's Avonds in de tolerante gemeente Smallingerland, die geen huur vraagt voor de uurtjes die Wouda heen en weer zwemt.

Zijn uiteindelijke doel is Atlanta '96. Het WK in Rome volgend jaar is een belangrijk toernooi. Het Europees kampioenschap in Sheffield komt, over ruim een maand, wat te vroeg. De strijd om de nationale titel in Amersfoort ziet hij dit weekeinde als een aardige training. “De mensen verwachten natuurlijk dat je heel hard zwemt. Voor mij is het NK niet belangrijk. Gelukkig heb ik me al gekwalificeerd voor Sheffield.”

“It doesn't matter if you look like shit, even if these are people that are minor to you. It doesn't matter if you loose, you got bigger goals.” De lijfspreuk van Jon Urbanchek. Een gemakkelijk excuus wanneer het weer eens niet gaat zoals het zou moeten? Nee, voor Wouda is het een ruggesteun. Hij moet langzaam naar de top zwemmen. “Persoonlijke records verbeteren is belangrijker dan ergens eerste worden”, verwoordt zijn Nederlandse vertrouwensman Roskam de strategie van de ambitieuze topsporter.

Vorig jaar september vertrok Wouda naar Michigan. Officieel als student bedrijfskunde, later computerkunde. In de praktijk om nog harder te leren zwemmen. “Mijn Amerikaanse interesse dateert al uit 1989. Toen schreef ik al brieven naar universiteiten met een goede naam op zwemgebied. Er waren serieuze contacten met de Ohio State University, maar ik kreeg toen nog geen behoorlijke beurs en had het geld niet om de studie zelf te bekostigen. In Amerika geldt: hoe harder je zwemt, hoe minder je hoeft te betalen. Dit jaar betaal ik nog maar tienduizend gulden, ongeveer een kwart. Volgend jaar heb ik een volledige beurs.”

Die opwaardering heeft hij te danken aan de drie persoonlijke records, dit voorjaar gezwommen. Vooral zijn Nederlandse record op de 400 meter wisselslag is van internationale allure: 4.18,31. De vierde tijd op de wereldranglijst van 1993. “Maar dat geeft een vertekend beeld.” Dat voorbehoud slaat op de vele toppers die dit seizoen nog geen officiële tijd in een 50-meterbad hebben gezwommen. De komende weken komt er meer duidelijkheid over de internationale verhoudingen. Met het oog op Sheffield.

Hij glimlacht verlegen en bladert nonchalant door het mei-nummer van dé Amerikaanse zwemkroniek Swimming World. Op de cover prijkt het natte hoofd van Marcel Wouda. Nationaal studentenkampioen op de 1650 yards (een kleine 1500 meter) en de 500 yards. De eerste Nederlander die zoiets presteert. Met dank aan de Noor Orjan Madsen die hem in februari '92 adviseerde te solliciteren bij de Michigan University. Daar was Urbanchek trainer. Een kleine Amerikaan, van Hongaarse afkomst. Gevlucht in 1956 naar de Verenigde Staten. En nu al dertig jaar furore makend als trainer van Amerikaanse topzwemmers.

“Ik heb het volste vertrouwen in die man. Precies wat ik nodig heb. In Nederland vroeg mijn trainer Rob Kennis altijd of ik moe was. Dan deden we het even wat rustiger aan. Urbanchek vraagt niet of je moe bent. Dat woord kent hij niet eens. Die harde aanpak heb ik, denk ik, nodig. In de groep jutten we elkaar ontzettend op. Er zitten zeker tien toppers bij. Gustavo Borges, de Braziliaan die zilver won op de 100 vrij. Eric Namesnick, die zilver won op de 400 vrij. Ik ben daar een modale zwemmer. Iedereen knokt zich leeg om maar niet achter te blijven. Daar word je harder van. Hoe goed je onderling ook kunt opschieten, je bent toch ook elkaars concurrent.”

Een mentale leerschool voor de weke Hollander, die in eigen land niet meer gemotiveerd werd. “Ik weet ook niet waarom het mannen-zwemmen zo slecht is bij ons. De vrouwen doen het relatief nog beter. Ligt aan hun bouw, denk ik. Een Nederlandse vrouw is vaak heel lang. Bij de mannen zijn de verschillen minder groot.”

Op zijn vierde kreeg Marcel Wouda de eerste zwemles. Als achtjarig jongetje ging hij wedstrijdzwemmen en op zijn veertiende was hij iedereen de baas in Uden. Hoe die club heet weet hij niet te vertellen “De Zeester of De Meerval. Eerst gefuseerd, later weer uit elkaar gegaan, geloof ik.” Tegenwoordig is hij lid van PSV in Eindhoven.

In Amerika geniet hij van het studentenleven, hoe anders ook dan in Nederland. Minder vrijblijvend. De eerste maand werd er gefeest. Daarna voornamelijk gestudeerd en vooral getraind. “Die studie gaat me gemakkelijk af. Ik had een Great Point Average van 3.91, op een schaal van 4. Niet slecht, hè. Het studeren wordt zeker niet verwaarloosd. De regels van de National College Athletic Associaton zijn heel streng. Officieel mag je maar 20 uur zwemmen per week. De 7 uur droogtraining geven we dus maar niet op, anders zitten we er ruim boven. Sowieso zijn die regels belachelijk. Je mag niet eens een zwembroek van iemand lenen zonder het op te geven. Of zomaar met iemand meerijden.”

Regels waar om gelachen wordt. De voordelen van het Amerikaanse systeem zijn evident. Competitie. In Nederland stond Wouda op eenzame hoogte. Alleen Ron Dekker is een internationale subtopper. Maar al op leeftijd en gespecialiseerd in 25 meter-baden. Wouda is ambitieus, hoe gecamoufleerd ook achter een waas van twijfels. Faalangst zou hij hebben. Hij consulteerde sportpsycholoog Blitz al in 1989. Die kon niet zo gek veel voor hem doen, behalve onspanningsoefeningen voorschrijven. De geest moet soepeler worden. “Op de middelbare school was ik al bloednerveus voor een tentamen.” Zo'n kalm ogende reus. Die mag geen faalangst hebben.

Op de wisselslag gaan de vrije slag en de schoolslag hem het beste af. In die laatste discipline heeft hij veel baat gehad bij de lessen van Mike Barrowman, het grote voorbeeld voor iedere schoolslagzwemmer en gastdocent van Urbanchek. “Barrowman heeft me een andere techniek aangeleerd. Een bredere armslag met de ellebogen naar binnen wegdraaiend. In plaats van naar buiten zoals ik vroeger deed. De golfslagtechniek of Barrowman-techniek. In het begin had ik er problemen mee, maar na een tijdje merkte je toch vooruitgang. Ik zwom een nieuw Nederlands record op de 200 school. Negen seconden sneller dan mijn tijd bij het EK in Athene twee jaar geleden.”

Goed presteren op het moment dat je het wilt. Dat is volgens Ad Roskam de essentie van het zwemmen. Marcel Wouda betwijfelt of hij de topvorm al te pakken heeft. Als hij eerlijk antwoord geeft, weet hij zelfs zeker dat de vorm er niet is. Hij heeft last van een schouderblessure. Een chronische kwaal, die op zijn zestiende de kop op stak. Te hard gegroeid. De spieren konden niet volgen. Aan de waterkant doet hij krachtoefeningen. Het trainingsrooster wordt vanuit Amerika naar Tietjerk gefaxt. En tegen het startblok geplakt. Na iedere oefening kijkt hij geconcentreerd naar het natte velletje. Wouda gelooft heilig in zijn goeroe Urbanchek en zijn missie Atlanta.