UIT GELD OF DWANG; Charles Tilly over staatsvorming in Europa

European Revolutions, 1492-1992 door Charles Tilly 262 blz., Blackwell 1993, f 65,65 ISBN 0 631 17398 6

Coercion, Capital and European States, A.D. 990-1990 door Charles Tilly 269 blz., Blackwell 1990, f 94,50 ISBN 1 55786 067 X

Zijn stijl is zakelijk, soms op het droge af. Maar iemand die duizend jaar staatsvorming of vijfhonderd jaar revoluties in Europa wil omvatten moet diep in zijn hart een romanticus zijn. Met enige aarzeling wil de Amerikaanse socioloog Charles Tilly dat wel onderschrijven: ""Ja, het is een vorm van donquichotterie. Er is durf voor nodig om iets te ondernemen dat uit de aard der zaak onmogelijk is. Zoiets had ik aan het begin van mijn loopbaan nooit gedurfd, maar langzamerhand kreeg ik het gevoel dat ik sommige verbanden was gaan zien die deze hele periode omvatten.''

Tilly (1929) is een onconventionele denker, die zich dwars door de bestaande arbeidsdeling in de sociale wetenschappen beweegt. Als hoogleraar-directeur van het Center for Studies of Social Change in New York geeft hij momenteel een maand college aan de Onderzoeksschool Sociale Wetenschappen Amsterdam van Abram de Swaan en Cees Schuyt.

Zijn meest recente studies beogen een grote greep te doen in de Europese geschiedenis. Tilly stelt de vraag hoe de grote verscheidenheid aan staatsvormen in Europa - die reiken van de stadstaten als Venetië tot de grote imperia als het Ottomaanse rijk - verklaard kan worden. En waarom is dit veelvoud aan staten uiteindelijke samengevloeid in de nationale staat zoals we die nu kennen? In zijn recentste boek verkent hij het verband tussen staatsvorming en de revoluties die het Europese continent de afgelopen vijhonderd jaar heeft gekend.

Tilly probeert geschiedenis en sociologie met elkaar in verband te brengen. ""Er is een traditie in de historische sociologie die zegt dat de sociologen het werk van de historici tot een synthese brengen en dat zij het zijn die er pas echte ordening in aanbrengen. Dat is absoluut niet mijn uitgangspunt. Wat ik probeer, is de sociale wetenschappen te historiseren, dus ontwikkelingen als staatsvorming en revoluties te plaatsen in tijd en ruimte. Dat betekent dat ik ook gewoon historisch onderzoek doe, hetgeen nog steeds bijzonder is voor een socioloog. Wat ik doe, is een impliciete kritiek op de bestaande arbeidsdeling in de sociale wetenschappen, die veertig jaar achter de ontwikkelingen aanloopt.''

OORLOGEN

Het trekken van grote lijnen is echter niet hetzelfde, zo betoogt Tilly met nadruk, als een poging de gehele geschiedenis met één evolutionair model te verklaren. Hij zet zich dan ook uitdrukkelijk af tegen de civilisatietheorie van Norbert Elias: ""Dat is een zeer selectieve weergave van het geschiedproces, die bijvoorbeeld nieuwe vormen van barbarisme wegvlakt. Het is waar dat in West-Europa het dagelijkse leven minder gewelddadig is geworden gedurende de laatste vijfhonderd jaar. Maar dat is het halve verhaal, want tegelijkertijd is het geweld van de staat enorm toegenomen. Het aantal mensen in verhouding tot de bevolkingsomvang dat in oorlogen omkomt, is decennium na decennium tot in de twintigste eeuw gestegen. De bereidheid om geweld te gebruiken tegen minderheden is enorm toegenomen.

""Mijn andere kritiek is meer filosofisch van aard: Elias' theorie is een vorm van teleologische geschiedschrijving. Het stoelt op de gedachte dat het heden het verleden verklaart, dat de uitkomst van een proces het proces zelf verklaart. Voor individueel, doelgericht handelen is dat een adequate beschrijving, maar hoe groter de schaal des te wantrouwender we moeten zijn.''

Geschiedenis, stelt Tilly daartegenover, heeft een veel onvoorspelbaarder verloop. Er is telkens een reeks keuzes te maken, die tot bepaalde uitkomsten leiden, die weer de volgende reeks keuzes inperken, maar tegelijkertijd nieuwe creëren. ""Er is geen einde aan dat proces en het is in hoge mate toevallig.'' Die houding bepaalt de manier waarop Tilly naar de geschiedenis van staatsvorming in Europa kijkt. Het is een verhaal waarin de onbedoelde gevolgen overheersen. Als we de uitkomst - nationale staten - nu achteraf voor ogen hebben, lijkt de staatsvorming een bewust streven te zijn geweest. Maar als we naar de ontwikkelingsgeschiedenis van staten kijken, blijkt dat onjuist.

Tilly: ""De paradox van staatsvorming in Europa is dat mensen een heleboel doelgerichte dingen doen ter voorbereiding en uitvoering van oorlogen, maar de organisatie die ze zo scheppen, een bureaucratie bijvoorbeeld, is een onbedoeld gevolg daarvan. De staat is in menig opzicht het bijprodukt van oorlog. Een andere paradox is de "verburgerlijking' van militaire macht in dit proces van staatsvorming. Het scheppen van grote staande legers in Europa, bracht tegelijk een inperking van de militaire macht met zich mee. Er ontstond een leger dat veel minder actief dan daarvoor intervenieerde in de dagelijkse politiek.''

BUITENLUI

De geschiedenis van de Europese staatsvorming is volgens Tilly dan ook een geschiedenis van paradoxen. Het is een verhaal van strijd en compromissen, van competitie en verzoening, van weerspannigheid en samenwerking tussen heersers, bevolkingen, lokale en regionale potentaten, boeren, burgers en buitenlui.

""De poging om middelen voor oorlogsvoering te verwerven, betrok de heersers in een verhouding van strijd, onderhandeling en interactie met een weerbarstige bevolking. Ik leg zoveel nadruk op de strijdkrachten omdat er mensen in betrokken waren. Je haalde jonge mannen uit hun omgeving weg. Veel andere mensen hadden een claim op die arbeidskracht: het lot van een gezin, van een huwelijk, van een boerderij, van een winkel hing van die arbeidskracht af. Mensen waren zich daarvan bewust en verzetten zich. Zo ontstonden er structuren - registratie, controle en dergelijke - om soldaten te ronselen. Het ging uiteindelijk allemaal over de kosten die verbonden waren aan het verwerven van machtsmiddelen, bijvoorbeeld ook door belastingheffing, die al waren ingebed in een bestaande sociale omgeving. Dit proces van strijd, onderhandelingen en compromissen over de middelen van oorlogsvoering schiep niet alleen staatsstructuur, maar creëerde ook burgerschap en zelfs in sommige omstandigheden democratie.''

Staatsvorming in Europa was geen eenvormige ontwikkeling, beklemtoont Tilly. Hij onderscheidt verschillende trajecten naar de moderne staat, die lopen van "kapitaal-intensief' naar "dwang-intensief'. Globaal vallen de verschillen tussen de trajecten samen met de onderscheiden ontwikkelingen van stadstaten in Italië of de Nederlanden als ene uiterste en die van imperia zoals het Russische en Ottomaanse als het andere uiterste. Daartussen treffen we dan een mengvorm aan met landen als Frankrijk en Groot-Brittannië, die uiteindelijk het voorbeeld van natie-staten zouden worden.

Tilly: ""Het dwang-intensieve pad wordt afgelegd wanneer heersers of heersers in spé die een centraal leger wilden vormen een beroep moesten doen op mensen die de beschikking hadden over eigen legermachten, dus bijvoorbeeld grootgrondbezitters in landen als Polen en Rusland. Het gevolg was dat deze mensen door de staat gedelegeerde macht in hun eigen regio's kregen in ruil voor de levering van militaire macht en schatting. Kenmerkend is dat dergelijke staten zich ontwikkelen in een omgeving met weinig steden en spaarzame handelsnetwerken.

Hier tegenover staat de kapitaal-intensieve staatsvorming. ""Nederland is hiervan een heel goed voorbeeld'', meent Tilly, ""Hier was juist een grote hoeveelheid opeengehoopt kapitaal. De gebruikelijke coalitie was er een van handelaren en heersers, in extreme gevallen verdween het verschil tussen beide zelfs. Kijk naar wie Amsterdam of Venetië regeerde. Als je in zo'n regio het spel van de oorlog mee wilde spelen, dan moest je een verbond aangaan met de bezitters van kapitaal. En die vertegenwoordigden geheel andere belangen dan de grootgrondbezitters. Voor hun was van belang of oorlog al of niet schadelijk was voor de handel. In deze gebieden van Europa waren militaire formaties veel minder duurzaam in tijden van vrede, dan in dwang-intensieve staten. Er was ook een grote terughoudendheid wat betreft staatsvorming.''

PARLEMENTAIRE VORMEN

In de visie van Tilly is er in Europa een duidelijk onderscheid tussen staten waarin dwang, schatting, het platteland, landadel, centralisme en autocratie, het beeld bepalen en staten die getekend zijn door kapitaal, markt, stad, de burgerij, parlementaire vormen en federalisme. Hij spreekt van een concentrisch model: aan de oostelijke periferie overheerst de dwang-intensieve staatsvorming, in de kern zien we een stedelijk handelsnetwerk dat van Amsterdam tot Venetië rijkt. Daar treffen we de kapitaal-intensieve staatsvorm. Rondom deze "kern' liggen mengvormen als Frankrijk en Engeland.

Waarom komt uiteindelijk een mengvorm bovendrijven in de vorm van nationale staten?

""Waar ik op reageer, is dat iedereen zich altijd blindstaart op Frankrijk, Engeland, Pruisen en Spanje als de ultieme voorbeelden van Europese staatsvorming. Het gaat hier om mengvormen. Bovendien is het riskant de geschiedenis van Europa te beschouwen als een geschiedenis van nationale staten, want we kunnen die term in feite pas na 1750 met enig vertrouwen gebruiken.

""Waar ik trots op ben is, hoewel ik drie verschillende paden van staatsvorming onderscheid, dat ik ook de interactie daartussen op het spoor kom. Zo krijgt deze verscheidenheid een betekenis binnen het netwerk van Europese staten. Rond 1500 heb je in Europa nog 200 tot 500 statelijke eenheden, afhankelijk wat je er precies onder rekent. Vooral oorlog schiep een betrekking tussen al deze verschillende staatsvormen, waardoor ze zich na verloop van tijd steeds meer bij elkaar aanpasten en steeds verder indikten. In 1945 is dat verdicht tot 27 staten in Europa. De meeste staatsvormen zijn in oorlog tenonder gegaan.''

Hoe verklaart U de staatsvorming in een land als Nederland, dat van 1839 tot 1940 neutraal was en buiten Europese conflicten stond? Meer in het algemeen: geldt de verwevenheid van oorlog en staatsvorming niet in het bijzonder voor de periode tot 1800?

""De beknopte beschrijving van de laatste twee eeuwen is een zwakte in Coercion & Capital die ik nu beter zie. De relatie wordt duidelijk minder direct. De enorme expansie van de legers in de Napoleontische tijd en daarna schiep een fiscale basis en een reeks instellingen die beschikbaar waren voor een veel breder scala aan maatschappelijke eisen. Vanaf dat moment raakte de staat sterk betrokken bij zaken als het reguleren van lokale economieën, bevorderen van internationale handel en het opbouwen van onderwijsstelsels. Er was dus een ontwikkeling die weg leidde van oorlog als oorzaak van staatsvorming.''

Er is een opvallend verschil in uw verklaring van staatsvorming en natievorming. In het ene geval overheersen de onbedoelde gevolgen, terwijl natievorming een bewust en doelgericht project is in uw boeken.

""Dat is inderdaad een verschil. Toch waren de negentiende-eeuwse projecten van staatsvorming wel degelijk meer doelgericht. De opbouw van een stelsel van sociale zekerheid en de vorming van een nationale cultuur zijn voorbeelden daarvan. Finland lijkt een homogene natie, maar in 1917 was Finland zeer sterk verdeeld tussen de Zweedssprekende elite en een boerenbevolking die een dialect sprak. In de jaren twintig en dertig kwam er een massieve invloed van het Finse nationalisme. Daar waren redenen voor; zo was het buurland de Sovjet-Unie zeker een prikkel voor de ontwikkeling van een Finse identiteit. Dat voorbeeld laat zien hoe je heterogene bevolkingen kunt omsmeden tot naties in een relatief kort tijdsbestek.''

Toch is de karakteristiek van het nationalisme als een beweging die louter gebruikt werd door de elites nogal instrumenteel. De collectieve herinnering kan toch niet naar believen omgevormd worden?

""Ik probeer hier inderdaad geen cultuurgeschiedenis te schrijven. In dit boek stond ik voor dit dilemma: óf ik behandel het nationalisme in het raamwerk dat ik heb opgetrokken en dan is het heel instrumenteel, óf ik ga terug en probeer op een soortgelijke manier als ik staatsvorming in het boek analyseer de vorming van naties te onderzoeken. Dan had ik me de vraag kunnen stellen in welke mate het een voordeel was om over een relatief homogene etnische groep te beschikken.''

Maar zou juist dat niet verklaren waarom staten als Engeland, Frankrijk en Pruisen het in de laatste twee honderd jaar gered hebben en andere niet?

""In het algemeen genomen ben ik het er mee eens: voor de stabiliteit van deze staten is de vraag van belang in welke mate een etnische groep in een vroeg stadium overheerste. Maar ik kan niet nalaten daartegenover het belang van conflicten tussen allerlei heterogene groepen in bijvoorbeeld het Verenigd Koninkrijk te benadrukken. In het boek over revoluties zeg ik dat de geschiedenis van Engeland lijkt op een verhaal van toenemende pacificatie, van verburgerlijking, maar de geschiedenis van de Britse eilandengroep als geheel is een verhaal van continu conflict.

""De meeste staten waarvan we nu denken dat ze gebouwd zijn rond een solide etniciteit, laten toch een uitgebreide activiteit van overheid zien ten einde de taal te standaardiseren, om onderwijs te scheppen, om dialecten te verdringen, om musea te bouwen die de nationale geschiedenis belichamen, om mensen zoals ik in dienst te nemen om de nationale geschiedenis te schrijven, om archieven te maken, om ceremonies te verzinnen die deze geschiedenis celebreren. Mijn Engelse collega Eric Hobsbawm is veel sceptischer over al deze zaken, hij is veel meer geneigd te zeggen dat het allemaal "vals bewustzijn' is. Daar zijn we het niet over eens, en ik moet zeggen dat ik het in de laatste jaren steeds minder met hem eens ben geworden hierover.''

Misschien dat de recente geschiedenis in het Oosten op dit verschuivend inzicht van invloed is. In zijn boek over revoluties in Europa stuit Tilly op het probleem hoe de recente omwentelingen in Oost-Europa te verklaren bij ontstentenis van grootscheepse krijgshandelingen. Want net als in zijn eerdere werk wijst hij wederom op het verband van oorlog, staatsvorming en revolutie.

Zijn de omwentelingen in de Sovjet-Unie niet veeleer te verklaren uit de duurzame etnische relaties die na zeventig jaar communisme weer opdoken?

""Nee, daar ben ik het niet mee eens. De etnische identiteiten die na de val van de Sovjet-Unie lijken terug te keren, waren ingebouwd in het systeem van overheersing door Stalin. Het zijn volstrekt niet de etniciteiten die in 1850 of 1900 bestonden. In de Sovjet-republieken en ook in delen van de Russische republiek, zette Stalin een stelsel op van indirecte heerschappij. De communistische partij was het bemiddelende element: zolang een regionale partijchef als Sjevardnadze zijn eigen cliëntèle gebruikte ten dienste van de staat, gaf het centrum hem een belangrijke rol en autonomie. Dat proces definieerde zowel de heersende etniciteit als degenen die daartegen opponeerden. Toen het centrum verzwakte, viel het gehele stelsel van indirecte heerschappij in duigen. In het vacuüm dat toen ontstond, stelden de lokale partij-elites zich aan het hoofd van de bewegingen van nationale onafhankelijkheid.''

We denken altijd: de instabiliteit in het Oosten raakt ons niet wezenlijk. Of zijn er wel bedreigingen voor het statensysteem van West-Europa?

""Jazeker. We begrijpen nu pas sommige voordelen van de Koude Oorlog. Een daarvan was een indamming van laagbetaalde arbeidskracht in Oost-Europa. Het was heel moeilijk voor Polen, Bulgaren en Tsjechen om door te dringen tot de arbeidsmarkten van West-Europa. Denk eens na: er was een politiemacht langs die hele lange grens die het heel moeilijk maakte om onder het IJzeren Gordijn door te kruipen. En nu zijn het regimes met een zwakke controle over hun grenzen, die zelfs niet veel moeite zullen doen om hun ontevreden onderdanen tegen te houden. In een stad als Lodz, waar ik onlangs was, is ongeveer vijftig procent van de textielarbeiders werkloos. De technologie in deze fabrieken stamt uit de jaren twintig. Ze maakten uniformen voor het Russische leger, die inferieure kwaliteit accepteerde. Als ze een kans krijgen, komen ze hier naar toe. Ze beschikken over netwerken, door de vroegere emigratie van Polen.''

Is die migratie de belangrijkste bedreiging?

""Nee, het is een voorbeeld. We hadden een verzegelde grens. Nu is de Europese Gemeenschap omringd door economieën waarop niemand echt greep heeft. De Europese Gemeenschap bouwt een territoriale eenheid waarin kapitaal, arbeid, informatie vrij kunnen bewegen. Het controleprobleem met betrekking tot deze grens zal enorm worden. Misschien kun je het equivalent van een IJzeren Gordijn scheppen. Maar dat is wel in tegenspraak met democratische normen.''

Was de verzoening van de nationale rivaliteiten in West-Europa zelf niet ook afhankelijk van deze verzegelde grens?

""Een pessimistisch scenario is dat Oost-Europa eenzelfde lot wacht als de grensstreken van het Ottomaanse imperium toen het uiteen viel. Ze kunnen een speelbal worden in het politieke spel van anderen. Op het moment bijvoorbeeld dat Duitsland Polen omvormt tot een soort kolonie voor de toelevering van ruwe produkten en een beschermend bondgenootschap met dat land vormt. Ik zeg niet dat het gebeurt, maar ik kan me een zeer onderscheiden politieke en economische betrokkenheid van Westeuropese landen in het Oosten voorstellen en op dat moment wordt het risico van conflicten in West-Europa tamelijk groot. Ik heb het over het gevaar van selectieve allianties, een "scramble for empire', die zou lijken op sommige conflicten aan het einde van de negentiende, begin twintigste eeuw aan de periferie van Europa. Dat is zeer wel mogelijk en een groot gevaar.''