Tropenjaren in centrum Stroom nog niet voorbij; Haags beeldende-kunstcentrum zet gemeentelijk kunstbeleid opnieuw op en zorgt voor een flexibeler aanpak van de kunst in de openbare ruimte: "de kunst moet geschikt zijn voor de plek en de plek geschikt...

AMSTERDAM, 12 JUNI. Op het plein voor het AT&T Danstheater aan het Haagse Spui staat een lichtblauw, betonnen bankje met een spiegel erboven, een ontwerp van de Amerikaanse kunstenares Andrea Blum. De bankjes, elders in de stad staan er nog vier, zijn onderdeel van een project van Stroom, Haags Centrum voor Beeldende Kunst, waarbij kunstenaars hebben gezocht naar nieuwe vormen van kunst in de openbare ruimte. Wie op het bankje zit, moet niet verbaasd zijn als voorbijkomende fietsen een kwakend geluid produceren, 'De kikkerbel', een glazen fietsbel naar een ontwerp van de Amerikaan John Knight, maakt ook deel uit van dit project. Al bijna tweeduizend Hagenaars hebben gebruik gemaakt van de mogelijkheid hun oude fietsbel voor Knights gestileerde model in te ruilen.

Het complete takenpakket van Stroom is heel wat breder dan bellen en bankjes. De stichting Stroom bestaat nu drie jaar en heeft sinds kort zijn intrek genomen in het nieuwe cultuurcomplex van architect Herman Hertzberger aan het Spui, waarin ook het Theater aan het Spui, het Filmhuis en het World Wide Video Centre onderdak hebben gevonden. Het centrum heeft een tweeledige opdracht: het voert het gemeentebeleid uit op het gebied van beeldende kunst, maar organiseert ook zelf tentoonstellingen, lezingen en projecten en geeft kunstboeken, brochures en een nieuwsbrief uit. De nadruk ligt daarbij op kunst in de openbare ruimte. In het nieuwe onderkomen heeft de stichting de beschikking gekregen over een tentoonstellingsruimte van 300 vierkante meter waarin op dit moment werk in de openbare ruimte van Peter Struycken te zien is. Daarnaast blijft de bestaande expositieruimte, een voormalige fabrieksruimte aan de Toussaintkade, gehandhaafd.

De drie "tropenjaren' die directeur Lily van Ginneken met nog geen tien medewerkers achter de rug heeft om het nieuwe centrum op te zetten, lijken nog niet voorbij. De vele activiteiten van Stroom zijn verdeeld in een servicebureau en in kunstbeleid. Het servicebureau richt zich op dienstverlening en ondersteuning van Haagse beeldend kunstenaars. Het bureau is verantwoordelijk voor de subsidies voor aankopen, tentoonstellingen en opdrachten, houdt zich bezig met de verdeling van de ongeveer 170 gemeente-ateliers en geeft informatie aan kunstenaars en publiek. Het kunstbeleid omvat onder andere aankopen van Haagse kunstenaars, kunstuitleen en bijzondere opdrachten. Bij de besluitvorming wordt Stroom bijgestaan door externe werkgroepen. Jaarlijks kent het centrum ook de Haagse stadsprijs voor beeldende kunst, de Ouborgprijs, toe, die dit najaar aan Lotti van der Gaag wordt uitgereikt. Stroom heeft bovendien een stadsconservator aangesteld die in samenwerking met het Haagse Gemeentemuseum bezig is een representatieve collectie van Haagse beeldend kunstenaars voor het museum te vormen, vanaf 1945 tot heden.

Van Ginneken is al in 1989 benoemd tot directeur, maar moest tot juli 1990 wachten voor precies duidelijk werd wat haar taak zou behelzen. Toen pas nam de Haagse gemeenteraad het definitieve besluit om het gehele beeldende kunstbeleid, met uitzondering van het museale deel, over te hevelen naar de particuliere stichting Stroom. Deze krijgt geld van de gemeente en het ministerie van WVC, in totaal ongeveer 4,5 miljoen gulden per jaar. De stichting past in het overheidsstreven naar privatisering en daarom kijken andere steden met belangstelling toe hoe het in Den Haag verloopt. “We zijn enigszins te vergelijken met de Rotterdamse Kunststichting, in zoverre dat we ook zelf initiatieven nemen. Maar verder zijn we landelijk gezien vrij uniek”, zegt Van Ginneken. “We moeten wel verantwoording afleggen aan de gemeente, maar verder zijn we tamelijk onafhankelijk in ons beleid ten aanzien van beeldend kunstenaars.”

Stroom heeft het beeldend-kunstbeleid in de gemeente geheel nieuw opgezet. Er staan nu ruim 600 kunstenaars ingeschreven die als professioneel zijn aangemerkt en daarom in aanmerking komen voor subsidieregelingen. Daaraan is een toetsing door een speciale commissie voorafgegaan. Van Ginneken: “We hadden ongeveer 1300 kunstenaars in de archieven, die hebben we eerst gescreend of ze nog in Den Haag woonden, en nog wel als beeldend kunstenaar werkten. Daarna is door de toetsingscommissie bekeken wie aan de voorwaarden van professionaliteit voldeed.” Criteria waren vakmanschap, kwaliteit van het werk, publieke activiteiten en erkenning door derden. Kunstenaars die de toets hebben doorstaan worden om de drie jaar opnieuw beoordeeld, afvallers kunnen zich na één jaar opnieuw voor beoordeling aanmelden.

Voor de erkende Haagse kunstenaars is de zogenoemde aop-regeling (aankoop, opdrachten en produktiebudgetten) in het leven geroepen, waarvoor jaarlijks een bedrag van 950.000 gulden beschikbaar is. “Bij de vroegere BKR-regeling konden kunstenaars alleen werk inleveren dat dan wel of niet wordt aangekocht. Nu kunnen ze ook met het voorstel komen een opdracht uit te voeren, of een reis te maken, of een werkbudget voor onderzoek aanvragen.” Om de verkoop te stimuleren komen ook niet-Hagenaars die werk van Haagse kunstenaars kopen, in aanmerking voor een aankoopsubsidie.

Een van de opdrachten aan Van Ginneken was een nieuw beleid te ontwikkelen ten aanzien van de kunst in de openbare ruimte, de door de eeuwen heen opgebouwde verzameling beelden en monumenten "op straat'. Als leidraad diende een stuk dat op initiatief van Haagse kunstenaars en andere betrokkenen was opgesteld en dat verandering van de bestaande praktijk voorstond. Uitgangspunt was dat de kunst niet mocht worden gebruikt om architectonische problemen op te lossen. Ook moest er meer ruimte komen voor tijdelijke projecten.

Van Ginneken: “In de beeldende-kunstwereld is weinig of geen aandacht voor kunst in de openbare ruimte, terwijl er veel geld in omgaat. Elke gemeente kent een percentage- en promillage-regeling waarbij een deel van de bouwsom verplicht naar beeldende kunst gaat. Het werk dat daarvan werd gekocht, werd meestal bij dat bepaalde bouwwerk neergezet. De gemeente wilde dat anders opzetten. We hebben met een werkgroep een jaar zitten vergaderen. In dat jaar zijn geen opdrachten verstrekt. Daar is wel kritiek op geweest, maar ik wilde eerst weten hoe het beleid zou worden. Wij hebben besloten al dat geld in één pot te stoppen, waardoor de mogelijkheden werden uitgebreid, en de kunstwerken meer niet per se gebonden waren aan een bepaalde plek, maar door de hele stad konden worden verspreid.”

Het eerste resultaat was een opdracht aan Peter Struycken om voor het geld, dat bij de herinrichting van de binnenstad voor kunst ter beschikking werd gesteld, een "flexibel' beeldende-kunstproject op te zetten. Dat resulteerde in het "sokkelplan', waarvan de eerste elf maquettes nu te zien zijn in de tentoonstellingsruimte aan het Spui, modellen van onder anderen Ernst Hazenbroek, Sonja Oudendijk, Carel Visser en Auke de Vries. De basis van dit plan wordt gevormd door een lint van 40 ovalen sokkels, naar een ontwerp van keramist Geert Lap, van het Spui naar de Grote Marktstraat. De beelden erop kunnen na verloop van tijd zo nodig door andere worden vervangen, of gehergroepeerd. De beelden komen te staan op een soort hoes van zink, die over de sokkel kan worden geplaatst. Bedoeling is dat zij samen een overzicht geven van de stand van zaken in de Nederlandse beeldhouwkunst. In het jaar 2000 moet alles klaar zijn, maar waarschijnlijk worden een aantal beelden al eerder geplaatst.

Daarnaast werd de "De Campagne' opgezet, een tijdelijk project met vaak verrassende bijdragen van twaalf kunstenaars uit binnen- en buitenland, die een eigen lokatie mochten kiezen. Zo staan de bankjes van Andrea Blum op vijf plaatsen in de stad waar een duidelijke scheidslijn is tussen hedendaagse en historische bouwkunst. Het bankje op het Spui biedt zicht op de Nieuwe Kerk uit de zeventiende eeuw, met in de spiegel het moderne AT&T Danstheater van architect Rem Koolhaas.

Volgens het beleidsplan moet "de kunst geschikt zijn voor de plek en de plek geschikt voor de kunst'. Van Ginneken: “Het Institute for Social Studies wilde een mooi beeld voor het gebouw. Dan vragen wij of er misschien geen andere mogelijkheid is, gaan praten met de opdrachtgever, proberen ons in te leven in de mensen die aan dat instituut studeren. Het resultaat is dat er nu een heel mooi plein met bomen komt met zitbanken van keramiek”.

Tijdens het gesprek komt een echtpaar binnen, rinkelend met een oude fietsbel. Ze worden doorverwezen naar de bovenverdieping waar de "kikkerbellen' klaar liggen. De oude worden voor hergebruik naar Cuba gestuurd, waar door benzinetekort de fiets populair is geworden, maar de bellen schaars zijn. Van Ginneken: “We merkten onmiddellijk dat we naar een centrale plek zijn verhuisd. Van de ene dag op de andere dag kregen we veel meer aanloop. We zijn nu de hele dag met publiek bezig”.