Somber Westen hoopt schade in Wenen zoveel mogelijk te beperken

In 1968 werd in Teheran een wereldconferentie gehouden ter gelegenheid van het vijfentwintigjarige bestaan van de Universele Verklaring van de rechten van de mens. Deze werd in de slotproclamatie nog eens plechtig bevestigd. Toch was dat niet zonder belang omdat er inmiddels een groot aantal gedekoloniseerde landen bij was gekomen. De verwachtingen voor de slotverklaring van Wenen, waar de komende weken de tweede wereldconferentie plaatsheeft, zijn beduidend somberder. Met name menige Westerse delegatie gaat daarheen met schadebeperking als hoogste doel.

Alleen al het gebrek aan een duidelijk focus baart zorg. De Algemene Vergadering van de Verenigde Naties heeft een zestal thema's ter bespreking aangewezen, maar de agenda blijft betrekkelijk vaag. Een aantal bewogen regionale voorbereidingsconferenties ("prepcoms') doet vermoeden dat de Derde wereld zal proberen de wereldconferentie aan te grijpen om het mensenrechtenprogramma van de VN definitief een andere wending te geven. Dit geldt met name voor de Aziatische en Afrikaanse groepen en niet zozeer Latijns Amerika, ook al zijn er in die laatste categorie hardliners zoals Cuba. Als aanvoerders van de tegenbeweging worden genoemd: Maleisië, Iran, China, Syrië, Soedan, Pakistan, Indonesië, Birma en Sri Lanka. Ook de Filippijnen en Singapore bleken op de voorbereidingsbijeenkomsten enkele keren verrassend radicaal uit de hoek te komen, waarschijnlijk op verzoek van derde landen. India zou een redelijke tussenpositie innemen.

De tegenbeweging heeft drie algemene thema's: Een nieuwe nadruk op het beginsel van niet-inmenging in interne aangelegenheden en de bijbehorende neiging internationale aandacht voor de rechten van de mens af te doen als Westerse bemoeizucht en bevoogding. Vooral tijdens een conferentie van Niet-gebonden landen op Bali werd dit thema voor de wereldconferentie geprepareerd. Een doorn in het oog is vooral de zogeheten conditionaliteit, de koppeling van ontwikkelingssamenwerking en de rechten van de mens. Azië (prep-com Bangkok) leidt hier de aanval, bijgevallen door landen als Mexico en Syrië. Tegenclaims: de erkenning van sociale en culturele rechten, uitlopend in een neiging (zoals een diplomaat het heeft genoemd) tal van aardse euvels te bezien in het licht van rechten van de mens: de schuldenproblematiek, milieu en verdovende middelen. Op zichzelf zijn dit legitieme voorwerpen van zorg. Ongelimiteerde oprekking van het hoofdstuk mensenrechten heeft echter een dubbel gevaar. Het leidt de aandacht af van klassieke mensenrechten (de bescherming van elementaire burgerlijke vrijheden), die nog steeds een gerede bron van zorg zijn, en voert onvermijdelijk tot verwatering en versnippering. Het onderstrepen van culturele eigenheid. Iran noemt de wereldconferentie een goede gelegenheid om recht te zetten dat de internationale verklaringen en verdragen over mensenrechten zijn opgesteld “zonder een verdiend aandeel van de islamitische landen”. Afrikanen plegen er op te hameren dat hun cultuur veel meer gemeenschapsgericht is dan de typisch Westerse individualiteit die uit de rechten van de mens spreekt. Zie bijvoorbeeld de terminologie van de EG in een position paper voor Wenen: “Het individu is het onderwerp, de uitvoerder maar nooit het passieve voorwerp van ontwikkeling.” Volgens de Twaalf dient de wereldconferentie vóór alles de nadruk te leggen op “de ondeelbaarheid en universaliteit van de rechten van de mens”.

Meer dan de kwestie van regionale verschillen vormt het opkomend fundamentalisme een bedreiging voor de universaliteit van de rechten van de mens, signaleert E.A. Alkema in de jongste aflevering van het tijdschrift Civis Mundi, een themanummer over dit onderwerp. De traditionele vrijheid van godsdienst heeft geen antwoord op de vermenging van staat en godsdienst of zelfs het daaraan ondergeschikt maken. Fundamentalisme vormt de speerpunt van een bredere beweging om de mensenrechten met de eigen wapens te verslaan: als zij pluralisme en tolerantie dienen dan moet dat ook gelden wanneer het om de internationale handhaving van die waarden gaat.

Dit relativisme wordt kracht bijgezet met ogenschijnlijk onweerlegbare historische en antropologische argumenten. De rechten van de mens zijn immers historisch gezien een Westerse uitvinding. Zelfs binnen het Avondland zijn ze trouwens relatief. Slavernij en foltering waren hier ooit toegelaten; marteling gold in de Middeleeuwen zelfs als probatio probationis (de proef der proeven). Nog in de jaren zeventig liet het abortusdebat zien dat zelfs binnen een klein land als Nederland grote verschillen van mening over het recht op leven kunnen bestaan.

Het gaat echter niet om de afkomst of zelfs de precieze omvang van mensenrechten maar om hun intrinsieke waarde. En dan kan worden aangevoerd dat iedere gedachte van een internationale gemeenschap van volkeren het niet kan stellen zonder althans enige grondbeginselen om daar elkaar over en weer op te kunnen aanspreken. Gezien het feit dat een overgrote meerderheid van de staten de Universele verklaring (zie Teheran 1968) en de mensenrechtenverdragen van de VN heeft aanvaard lijkt het beroep op een afwijkend cultureel verleden op cynische manipulatie door bepaalde regimes. In het geval van Indonesië herinnerde A.D. Nasoetion er vorig jaar in een Utrechts proefschrift trouwens aan dat de Constituerende vergadering in de jaren vijftig wel degelijk steun uitsprak voor de universele geldigheid van de rechten van de mens maar om politieke redenen werd afgekapt door president Soekarno.

Behalve algemene verschillen van invalshoek zijn er ook enkele venijnige concrete strijdpunten. Deze betreffen in de eerste plaats pogingen om voorstellen tot versterking (enhancement) van de Commissie voor mensenrechten van de VN te doen omslaan in het tegendeel: disenhancement. De EG breekt in het vermelde document een lans voor enhancement. Zo moet de positie van directeur van het VN-centrum voor de rechten van de mens worden versterkt tot die van Hoge Commissaris. Tegenactie strekt tot "stroomlijning' (lees: afzwakking) van de onderzoeksprocedures. Doelwit zijn niet in de laatste plaats de speciale rapporteurs die het veld in gaan, zoals de huidige Nederlandse minister van buitenlandse zaken Kooijmans dat is geweest voor martelingen.

Tekenend is ook de oppositie (Mexico, Colombia, China) tegen de zogeheten Political Freedom Index die de VN overwegen aan te leggen en die een maatstaf zou kunnen zijn bij het verstrekken van ontwikkelingshulp. In de Arabische groep (Tunesië) wordt verder over gepraat een recht van asiel op de agenda te zetten. Thans is er alleen het recht asiel te vragen en daarmee heeft met name het rijke Westen het al lastig genoeg.

Parallel aan de wereldconferentie wordt in Wenen ook een groot festival van non-gouvernementele organisaties voor de rechten van de mens gehouden; er worden er zo'n 1.500 verwacht. Hun verlanglijst is niet gering. Zo moet er binnen de VN een Raad voor de mensenrechten komen met een eigen staf voor interventies met daarnaast een commissie van deskundigen als denktank en een speciale Hoge Commissaris voor de rechten van de mens. Bovendien dienen zowel een VN-Hof voor de rechten van de mens als een Internationaal Straftribunaal te worden ingesteld. In de facilitaire sfeer wordt dan nog eens gepleit voor een academie voor de rechten van de mens, een instituut voor de rechten van de mens plus documentatie- en ontwikkelingscentra.

Een dergelijke opeenstapeling van wensen roept zijn eigen vragen op, temeer daar de internationale bescherming van de rechten van de mens reeds wordt gekenmerkt door een proliferatie van instrumenten en mechanismen. De discussie hierover dreigt wel eens in de plaats te treden van behandeling van de problemen zelf.

    • F. Kuitenbrouwer