SLAVERNIJ

Hans Buddingh' maakt in zijn bespreking van Van Stipriaans "Surinaams Contrast' (Boekenbijvoegsel 29 mei jl.) een denkfout.

De logica is zoek wanneer hij stelt dat Van Stipriaans onderzoek inzake de Surinaams-Nederlandse geschiedenis, de studie van Elkins, die zich tot de Noordamerikaanse geschiedenis beperkt, zou kunnen weerleggen. Hier worden appels met peren vergeleken. De slavernij in de Surinaamse context valt niet gelijk te stellen aan de slavernij in Noord-Amerika. In de Surinaamse situatie waren een groot aantal (in de VS afwezige) factoren werkzaam, die verhinderden dat het slavernij-systeem de zelfstandigheid en het geloof in eigen kunnen van de slaaf zo volledig kon breken, als Elkins betoogde dat in de VS het geval was. "Blanke Supprematie' was bijvoorbeeld zeer betrekkelijk in Suriname, waar al vroeg, vanaf omstreeks 1800, de vrije bevolkingsgroep in meerderheid bestond uit kleurlingen en negers, dat wil zeggen vrijgemaakte slaven en hun afstammelingen, waaronder vele gezeten burgers. Daarbij komt nog dat de koloniale overheid ook de autonomie had moeten erkennen van de Bosnegers, groepen van de plantages weggelopen slaven. Deze feiten moeten wel een heilzaam effect hebben gehad op het respect van de slavenhouders voor de wil en het karakter van hun slaven. Dit respect (met daarmee verstrengeld een gevoel van eigenwaarde bij de slaaf) werd ook bewonderd door de demografische verhoudingen: in schril contrast met de situatie in de VS, vormden de slaven in Suriname de grote meerderheid van de bevolking. Deze demografische factor impliceerde tevens dat de slavenhouder, of zijn representant, veel minder in de privé-sfeer van de slaven binnendrong dan in Noord-Amerika het geval was.

En dan is er nog het ook door Buddingh' aangestipte feit dat plantage-slaven in Suriname in staat werden gesteld een deel van hun tijd voor eigen rekening te werken. Dit schijnt in het hele Westindische gebied gebruik te zijn geweest. Zo niet echter in de VS. De econoom Thomas Sowell opperde in het essay "Three Black Histories' (in de door hem geredigeerde bundel "Essays and Data on American Ethnic Groups' uit 1978), dat dit verschil een belangrijke verklaring zou kunnen bieden voor het feit dat Westindiërs in de VS het over het algemeen beduidend verder brengen dan autochtone zwarte Amerikanen (met dien verstande, dat binnen deze laatste groep, de afstammelingen van mensen die reeds generaties vóór de emancipatie in 1863 vrije lieden waren, een aparte categorie vormen; hun maatschappelijke ontwikkeling toont een gunstiger beeld - vandaar dré zwarte geschiedenissen). Het veel paternalistischer Noordamerikaanse slavernij-systeem zou, grosso modo, slaven tot veel onzekerder en afhankelijker mensen hebben gemaakt dan het slavernij-systeem in het Carabisch gebied; en de effecten daarvan zouden ook nog tot in latere generaties merkbaar zijn.

Naschrift Hans Buddingh':

Dat er verschillen waren tussen de slavernij in de Verenigde Staten en Suriname c.q het Carabisch gebied is evident. Dat de verschillen evenwel zo zwart-wit zijn als briefschrijver stelt, mag worden betwijfeld. Zo waren de geboorte- en sterftecijfers in de VS veel gunstiger dan die in het Carabisch gebied.

In de academische discussie die na het boek van Elkins - en ook dat van Tannenbaum - ontstond, is de suggestie gewekt dat het "Sambo-beeld' niet alleen op de Amerikaanse situatie sloeg, maar een welhaast algemene geldigheid had. Ook het boek van Williams droeg aan dat negatieve beeld bij. De verdienste van het proefschrift van Alex van Stipriaan, in navolging van de publikatie van Fogel en Engerman, is nu juist dat dit beeld sterk wordt bijgesteld.