Rechtsgeleerde bestsellers

Washington - Het uitgeven van biografieen en memoires is in de Verenigde Staten een multi-dollar-business. Gerenommeerde uitgeverijen betalen daar niet alleen vorstelijke voorschotten aan sekstherapeuten en televisiesterren nog voordat er een woord op papier is gezet maar zelfs aan rechters van het Federale Hooggerechtshof. Een columnist van de Washington Post onthulde vorige week dat Thurgood Marshall, een van de vermaardste rechters van Amerika, die in januari van dit jaar op 84-jarige leeftijd overleed, een jaar tevoren een voorschot van een half miljoen dollar op de bankrekening van zijn uitgeverij had teruggestort, omdat hij ten slotte van de publikatie van zijn memoires had afgezien.

Hij had zich bedacht omdat hij zijn ambtgenoten geen moeilijkheden wilde bezorgen door mededelingen uit de boezem van het Hooggerechtshof. Het "geheim van de raadkamer' woog dus zwaarder dan zijn eer en zijn financiele belangen. Die laatste factor was zeker niet van te verwaarlozen betekenis, want het contract dat Marshall met de uitgeverij had gesloten zou hem van een fortuin hebben verzekerd. Carl Rowan, de columnist van de Washington Post die, als bewerker van de memoires, partij in de overeenkomst was geweest en een mooi kluifje aan zijn neus voorbij had zien gaan, mat het gewicht van de beslissing van zijn "co-auteur' af aan diens financiele toestand. Toen Marshall zichzelf anderhalf jaar tevoren als rechter van het U.S. Supreme Court had gepensioneerd, was niet gebleken dat hij bemiddeld was (“hij kon het geld goed gebruiken”). Hij had dus wel heel zwaar aan de constitutionele mores getild. Het was begrijpelijk dat de liefhebbers van de recente rechtsgeschiedenis danig teleurgesteld waren. Ze liepen niet alleen Marshalls mooie verhalen mis (de Associate Justice was een groot verteller) maar vooral zijn onvermijdelijke onthullingen over de manier waarop en de strijd waarmee historische uitspraken van het Hooggerechtshof tot stand waren gekomen, zoals het geruchtmakende liberale abortusarrest uit de jaren zeventig, bekend als Roe versus Wade.

Marshall was een beroemd jurist. Hij speelde in de jaren zestig al een vooraanstaande rol in de strijd tegen de segregatie op de Amerikaanse scholen. Hij kreeg in die periode nationale bekendheid als advocaat van organisaties die het opnamen tegen de discriminatie van zwarte leerlingen in het door blanken beheerste Amerikaanse onderwijssysteem. De manier waarop hij voor de zwarte jeugd pleitte, bezorgde hem vele erenamen en -titels. Met een heroische vasthoudendheid sleepte hij schoolbesturen uit de zuidelijke staten die de wet (Equal Protection Clause) aan hun laars lapten voor de rechter, tot het Federale Hooggerechtshof toe. Daar beleefde Thurgood Marshall als "lawyer for his race' zijn grootste triomf. In een cruciaal arrest, dat de geschiedenis zou ingaan onder de titel Brown versus Board of Education, werden de discriminerende onderwijsautoriteiten in de zuidelijke staten tot naleving van de wet gedwongen. Het Federale Hooggerechtshof kreeg de blanke dwarsliggers in het zuiden niet van de ene dag op de andere in het gareel, hier en daar ging het niet zonder inmenging van het federale leger, maar na enkele jaren en vele processen vond de wet tenslotte ook in de praktijk ingang. Marshalls reputatie als strafpleiter en verdediger van de burgerrechten was intussen zo hoog gestegen dat hij een nationale beroemdheid was geworden. Zijn benoeming door president Lyndon Johnson tot rechter in het Amerikaanse Hooggerechtshof was zowel een bekroning van een formidabele pleiterscarriere als een eerbewijs aan de beweging voor gelijke burgerrechten.

Een paar weken geleden werden de fans van Thurgood Marshall bij verrassing toch onthaald op de onthullingen uit de binnenkamers van het Hooggerechtshof waarnaar zij hadden uitgezien. De Washington Post lanceerde in zijn zondagseditie van 23 mei de eerste van drie paginagrote samenvattingen uit de dagboeken van Thurgood Marshall, die op het allerlaatste moment de publikatie van zijn memoires had tegengehouden maar kort voor zijn dood zijn officiele papieren bij de Library of Congress had gedeponeerd, en had beschikt dat ze direct na zijn dood voor wetenschappelijk gebruik mochten worden vrijgegeven. De Washington Post ontdekte bij toeval de beschikking waarin Marshall zijn toestemming voor publikatie na zijn dood had gegeven. De directeur van de nationale bibliotheek stond de krant niets in de weg het volle profijt van die ontdekking te doen. De onthulling van de Washington Post, de grootste scoop sinds "Watergate', had een daverende uitwerking op en in het Hooggerechtshof. De nabestaanden van de overleden rechter, een aantal vrienden en "de meerderheid' van de rechters uit het Hooggerechtshof, onder wie de chief justice William Rehnquist, verklaarden in koor dat Thurgood Marshall nooit toestemming kon hebben gegeven voor de publikatie van zijn papieren. Rehnquist (die in de hierarchie van het Amerikaanse staatsbestel een driehoek met God en de President vormt) bulderde dat de directeur van de nationale bibliotheek, aan wie Marshall het beheer van zijn kostbare papieren had toevertrouwd, het in hem gestelde vertrouwen had geschonden. Rehnquists voorganger, Warren Burger, koos blindelings partij voor zijn opvolger en fulmineerde eveneens dat de nationale bibliotheek onverantwoordelijk met de belangen van het hof was omgesprongen en zich had schuldig gemaakt aan "flagrante schending van de discretie'. Maar beide heren, en al die anderen die zich verontwaardigd toonden over de publikatie van de Washington Post (waardoor ook de nog maar twee jaar oude notulen van de schermutselingen over de bijna herroepen liberale interpretatie van de abortuswetgeving op straat kwam te liggen) hadden voor hun beurt gesproken. James Billington, de directeur van de nationale bibliotheek, die alle publieke kritiek op zijn beleid manmoedig had getrotseerd, hield voet bij stuk en week niet van zijn oorspronkelijke beslissing dat hij "in de geest van Thurgood Marshall' had gehandeld en diens papieren aan de Washington Post (en vervolgens aan de andere media) ter beschikking had gesteld. Billington werd op slag de eerste kandidaat voor de verkiezing van de man van het jaar door het weekblad Time doordat hij de journalistiek gelijk stelde aan wetenschappelijk onderzoek. Marshall had ingestemd met het vrijgeven van zijn papieren voor "researchdoeleinden' en Billington weigerde onderscheid te maken tussen de belangen van de journalistiek en die van de wetenschap.