Rechter moet uitmaken of stipheidsacties redelijk zijn; Werkgever hoeft bij acties niet altijd het loon door te betalen

DEN HAAG, 12 JUNI. Mogen B en W van Rotterdam tien procent van het salaris inhouden van de vuilnismannen die een stiptheidsactie voeren? Die vraag komt aan de orde als de ambtenarenbonden het besluit dat het Rotterdamse college gisteren nam, bij de rechter gaan aanvechten. Juridisch adviseurs van de bonden beraden zich daar dit weekeinde over.

Het dagelijks bestuur van de gemeente beschouwt de actie van het reinigingspersoneel, om huisvuil op straat te laten staan dat niet volgens de regels wordt aangeboden, als een “selectieve, partiële werkstaking”. En bij (partiële) stakingen hoeven de werkgevers het personeel niet door te betalen, maar moeten de werknemers voor (een deel van) hun beloning een beroep op de stakingskassen van de bonden doen.

De ambtenaren dachten tot nu toe hun acties op kosten van de werkgever te kunnen voeren door niet te staken, maar door slechts een deel van het afval niet mee te nemen. Deze stiptheidsactie baseren zij op de Afvalstoffenverordening van de gemeente, die burgers voorschrijft in wat voor zakken zij hun huisvuil moeten stoppen. B en W voeren aan dat die verordening regels stelt voor de burger, maar het reinigingspersoneel niet voorschrijft verkeerd verpakt afval te laten staan.

De rechter zal dus, als de bonden zich tot hem wenden, moeten afvragen of er sprake is van een stiptheidsactie dan wel een selectieve staking. Maar ook als hij de redenering van de bonden kiest, is het de vraag of de inhouding van tien procent van het salaris onrechtmatig is. Van belang is dan de uitleg die de rechter zal geven aan een arrest van de Hoge Raad van 30 mei 1986. Dit betrof acties dat NS-personeel in 1983 voerde tegen de kabinetsvoornemens om de bruto-salarissen in de collectieve sector te verlagen en de prijscompensatie te laten vervallen. Het spoorwegpersoneel deed dat doormiddel van stiptheids- en langzaam-aan-acties. Vertragingen en het uitvallen van treindiensten waren het gevolg. De NS trachtten toen tevergeefs via de rechter die acties te verbieden.

De NS voerden later aan, in hoger beroep en in cassatie, dat de acties “unfair” waren, omdat, nu er geen sprake was van een staking, de werkgever verplicht was het loon door te betalen. Dat was een vergissing. De Hoge Raad verwierp het beroep van de NS, onder meer met de motivering dat de werkgever juist wel de mogelijkheid had zijn personeel niet door te betalen. Als werknemers collectieve acties voeren, daarmee “niet naar behoren of niet volledig” presteren, waardoor de werkgever “zijn bedrijf ontwricht ziet”, dan kan hij bij “redelijke wetstoepassing” van zijn verplichting tot doorbetaling van het loon worden ontheven.

De Hoge Raad voegde daaraan toe dat een werkgever niet gauw zal besluiten tot looninhouding alleen al om procedures te voorkomen en omwille van de werksfeer. Deze noodgedwongen terughoudendheid betekent volgens de Hoge Raad dat er bij arbeidsconflicten tussen werkgever en werknemers een “verstoring van het machtsevenwicht” optreedt. De werkgever wordt geconfronteerd met acties, moet opdraaien voor de schade terwijl hij ook nog de lonen onverminderd doorbetaalt. De Hoge Raad gaf aan dat daarom bij stiptheidsacties meer nog dan bij stakingen de rechter zich moet beraden over de vraag of ze redelijk zijn. Nu het huisvuil langs de kant blijft staan en de gemeente kosten maakt door particuliere bedrijven in te schakelen, lijkt ook die vraag aan de orde.