Overlegeconomie zit in de beklaagdenbank

In de parlementaire enquête naar de sociale zekerheid komt steeds meer de overlegeconomie in het beklaagdenbankje te staan.

De term overlegeconomie duidt op het intensieve overleg dat in ons land gevoerd wordt tussen de vakbeweging en werkgevers (bijvoorbeeld voor de CAO) en tussen vakbeweging, werkgevers en overheid. Het eerste noemen we bi-partite overleg, tussen twee partijen. Het laatste noemen we tri-partite overleg, er is een derde partij bijgekomen. Nederland kent een omvangrijk netwerk van bi- en tri-partite arbeidsverhoudingen.

De laatste jaren breidt dit netwerk van de arbeidsverhoudingen zich uit naar allerlei onderwerpen en wordt ook het onderscheid tussen overlegsituaties met en zonder de overheid als derde partij steeds vager. Zo werden in de Stichting van de Arbeid, een van oorsprong bi-partite orgaan de afgelopen jaren steeds meer werkgroepen over allerlei onderwerpen ingesteld, waarin ook de overheid intensief participeert.

Het netwerk van arbeidsverhoudingen breidt zich uit. De lijnen worden steeds ingewikkelder, het jargon steeds wolliger. Het Gemeenschappelijk Beleidskader (GBK), resultaat van het overleg in 1989, stond bol van de "inspanningsverplichtingen voor voortrajecten van doelgroepen'.

De Nederlandse arbeidsverhoudingen beginnen steeds meer te lijken op de achterkant van een breiwerk. Bi- en tri-partite arbeidsverhoudingen lopen door elkaar heen. Een passende samentrekking van deze ontwikkeling biedt het begrip brei-partite. De essentie van dit begrip is dat niemand meer weet waar de verantwoordelijkheid ligt, iedereen kan zich achter de ander verschuilen; ook de leden van de Tweede Kamer, vanwie enkele zo dapper roepen dat deze niet haar bevoegdheden dient te verliezen aan overleg- en adviesorganen.

Het landelijke overleg heeft dan misschien aan betekenis ingeboet, het nieuwe regio-corporatisme is al in opkomst. Op regionaal niveau worden steeds meer nieuwe samenwerkingspatronen tussen vakbonden, werkgevers en gemeenten gentroduceerd. Het voorbeeld bij uitstek is het CBA.

De arbeidsvoorziening is door de overheid ondergebracht bij deze nieuwe instelling. Het CBA wordt bestuurd door een bestuur van werkgevers- en werknemersvertegenwoordigers en de overheid. Onder dit Centraal Bestuur van de Arbeidsvoorziening hangen maar liefst 28 regionale besturen, de RBA's.

Het tot stand komen van deze nieuwe vorm van arbeidsbemiddeling heeft langer dan vijf jaar geduurd. Het parlement had grote problemen met zijn verantwoordelijkheden. Het CBA wordt gesteund met overheidsmiddelen, maar kon het parlement zich nog wel uitspreken over de besteding van het geld? Wat waren de precieze bevoegdheden van de vertegenwoordigers van de minister van sociale zaken en werkgelegenheid in het bestuur? Kon de Kamer de minister nog wel ter verantwoording roepen? De introductie van het CBA was er bijna op gestrand.

GBIO, CBA, STAR, WW, SVR, SVB, FNV, ARBORAAD, RBA, VNO, SER, GAK, ZV, NCW, GMD, WAO, CNV, WRR, etc. De Nederlandse overlegeconomie kent nog al wat instituten en regelingen.

Onlangs trof mij de titel Handboek voor Institutionele Zelfreiniging van L. A. Saelman in het vak arbeidsverhoudingen/human resource management in een gerenommeerde boekhandel in Den Haag. Niemand komt er meer uit, noch politici, noch bestuurders van werkgeversorganisaties en vakbonden, maar hier ligt het antwoord: institutionele zelfreiniging.

Een slimmerik is zijn tijd vooruit en heeft een handboek ontwikkeld, een methodiek waarmee het aantal instituties en regelingen in ons sociaal stelsel verminderd kan worden door zelf de bezem door de kast te halen. Geen onbekwame buitenstaanders meer, nee een doe-het-zelf methode. Nieuwsgierig geworden, bekeek ik de inhoudsopgave om daar hoofdstukken aan te treffen met titels als Vloeronderhoud, Desinfectie, Sanitaironderhoud en Machinale vaatwas. Een reiniging van het sociaal stelsel in Nederland vergt misschien wel sterke middelen, maar dit kan toch niet de bedoeling zijn. Het bleek een boek voor schoonmaakbedrijven dat per abuis in het verkeerde schap was terechtgekomen. Het personeel had afgaande op de titel en met scherp gevoel voor de verkoopmarkt, het boek in het schap Arbeidsverhoudingen gezet.

Draagt de politiek bij tot institutionele reiniging? Politici hebben niet alleen kritiek op de inhoud van de regelingen voor sociale zekerheid, maar menen dat het vooral aan de uitvoering schort. Dus zijn er voorstanders van het samenvoegen van uitvoeringsinstanties als het GMD (Gemeenschappelijk Medische Dienst) en het GAK (Gemeenschappelijk Administratie Kantoor) tot een grote organisatie. Sommigen gaan een stap verder en willen alles integreren met het CBA en de RBA's. Een versterking van het regio-corporatisme.

Terwijl politici voorstellen doen om de SER, de STAR (Stichting van de Arbeid) en de WRR (Wetenschappelijke Raad voor Regeringsbeleid) te integreren is er bijna ongemerkt een broertje van de SER voor de overheidssector ontstaan, de Raad voor Overheidspersoneel met als nieuwe afkorting ROP. Is dat wijs? In de overheidssector wordt nu meer zelfstandig onderhandeld door vakbonden en werkgevers. Er ontstaan nieuwe werkgeversorganisaties naast de al veel langer bestaande bonden voor overheidspersoneel. In de Sociaal Economische Raad zijn ze niet vertegenwoordigd. Die is immers na de oorlog samengesteld uit werkgevers- en werknemersorganisaties uit de marktsector.

Nee van goede ideeën van politici valt niet veel te verwachten. Probleem is dat de instituten ook niet in staat zijn zelfreinigend te werken. Iedereen houdt vast aan historisch gegroeide posities en taken. Zo'n handboek is nog niet zo gek.